
-
Dr. Marieke Wenneker is senior-onderzoeker bij het lectoraat Duurzame Stedelijke Transformatie en richt zich op de dynamieken van maatschappelijke transities in wijken. Eerder heeft zij een postdoc-onderzoek gedaan naar werkende mechanismen van de maatschappelijke transformaties in Woensel-West en Strijp-s. Daarnaast is zij themaleider Samenleven in Verscheidenheid bij het Center of Expertise (CoE) Inclusive Society.
-
Sabina Meiling, MA is onderzoeker bij het lectoraat Sociale Veerkracht. Zij richt zich op gemeenschapsvorming en doet zoal onderzoek naar omgekeerde integratie, de afbouw van van gesloten jeugdzorg en samenzorg.
-
Dr. Ferry van de Mosselaer is senior-onderzoeker bij het lectoraat Duurzame Stedelijke Transformatie en heeft een achtergrond in sociale geografie. Hij richt zich op vraagstukken waarin ruimte, zorg, gemeenschap en bestuur samenkomen. Daarnaast is hij themaleider Samenzorg bij het CoE Health.
De woningnood dwingt tot nieuwe oplossingen. Toch gaat het debat nog te vaak over aantallen, terwijl de kwaliteit van samenleven onderbelicht blijft. Wonen is meer dan bouwen: het gaat om gemeenschap, verbinding en inclusie. Zoals Floris Alkemade treffend zegt: ‘Bouwen, bouwen, bouwen is het domste wat je kan doen. We moeten geen woningen bouwen, maar gemeenschappen.’
Alternatieve woonvormen spelen hier steeds vaker op in, bijvoorbeeld door woningen te delen of te splitsen. Minder aandacht is er voor kansen op gebiedsniveau. Juist daar ligt potentie, bijvoorbeeld op zorginstellingsterreinen waar wonen, zorg en dagelijks leven samenkomen.
Woongemeenschappen bouwen
Een belangrijk concept daarbij is omgekeerde integratie: niet mensen met een beperking verhuizen naar de samenleving, maar mensen zonder beperking integreren op woon- en leefplekken van mensen met een beperking. Zo ontstaan gemengde gemeenschappen die bijdragen aan kwaliteit van leven — voor iedereen (Bos, 2016).
Hoewel exacte cijfers ontbreken, is duidelijk dat veel instellingsterreinen nog grotendeels intramuraal functioneren. Van de ruim 140.000 mensen met een verstandelijke beperking wonen er naar schatting slechts 20.000 met een verstandelijke of meervoudige beperking in een intramurale instelling op een instellingsterrein. Tegelijk groeit de behoefte aan woonvormen waarin rust, groen en gemeenschapszin centraal staan (Lang & Giovannini, 2025). Traditionele woonvormen bieden onvoldoende antwoord op deze maatschappelijke veranderingen. Een huis is pas een thuis als het deel uitmaakt van een gemeenschap.
Niet alleen de aantallen woningen, maar bovenal de kwaliteit van wonen en leven doet ertoe. Ook het College van Rijksbouwmeesters en Rijksadviseurs onderstreept in de agenda Gedeelde Grond (CRa, 2025) dat goed wonen opnieuw moet worden gezien als een gemeenschappelijk goed.
Context onderzoek
Parallel aan dit onderzoek verkende auteur Van de Mosselaer toekomstscenario’s voor Landpark Assisië ( wordt binnenkort gepresenteerd op de SHE-conferentie.
Tegelijkertijd onderzocht Maarten Rutten (Avans) welke lessen uit eerdere omgekeerde integratietrajecten kunnen helpen bij de ontwikkeling van ggz instelling Reinier van Arkel tot een omgekeerde integratiewijk.
Om deze inzichten te bundelen en te verdiepen, organiseerden Fontys en Avans eind 2025 gezamenlijk een mini congres over de bredere opgaven van open instellingen. Daaruit bleek dat zorginstellingsterreinen onder aanzienlijke druk staan door woningbouwopgaven, veranderende zorg, klimaat- en ruimtelijke vraagstukken en financiële uitdagingen, terwijl ze tegelijkertijd unieke landschappelijke en sociale waarden bieden.
De opbrengsten zijn samengebracht in een overzicht met kansen en uitdagingen, dat aansluit bij eerder onderzoek en de complexiteit van deze gebieden. Tijdens de PlanDag 2026 |in juni worden de bevindingen uit de studies en het mini symposium gepresenteerd. Fontys en Avans werken intussen verder aan een gezamenlijke kennisagenda, met nieuwe bijeenkomsten, onderzoeks-
projecten en workshops.
Kloostervelden: een werkend voorbeeld
Kloostervelden in Sterksel laat zien wat mogelijk is. Op het terrein van zorgorganisatie Kempenhaeghe werd een reguliere woonwijk ontwikkeld waar mensen met en zonder beperking samenleven.
Kempenhaeghe is een derdelijns expertisecentrum voor complexe epilepsie, slaapstoornissen en neurologische leer- en ontwikkelingsstoornissen. Hier wonen 176 cliënten en zo’n 300 wijkbewoners. De wijk oogt en functioneert als een gewone woonomgeving, zonder zichtbare scheiding tussen zorg en wonen. De belangrijkste motivatie: cliënten meer onderdeel laten zijn van de samenleving, zonder hen te verplaatsen. Dit principe van omgekeerde integratie draagt bij aan hun kwaliteit van leven, op een manier die ook financieel haalbaar is. In totaal zijn er 209 koopwoningen gerealiseerd. Ongeveer een kwart van de wijkbewoners heeft een directe band met Kempenhaeghe, bijvoorbeeld als medewerker of als ouder van een cliënt.
De kracht van Kloostervelden zit in het alledaagse. Ontmoetingen ontstaan spontaan — op straat, tijdens het wandelen of bij dagelijkse bezigheden. Juist deze informele contacten zorgen voor een gevoel van verbondenheid dat in traditionele zorgomgevingen vaak ontbreekt.
Doordachte ruimtelijke opzet
Onderzoekers van Fontys Hogeschool voerden een studie uit naar belangrijke pijlers van deze omgekeerde integratie. Op basis van literatuurstudie, interviews met wijkbewoners, cliënten en medewerkers en een focusgroep werden centrale thema’s geïdentificeerd die bepalend zijn voor de omgekeerde integratie (Meiling, Wenneker & Van de Mosselaer, 2025).
De fysieke inrichting van Kloostervelden vormt de basis voor omgekeerde integratie, waarbij de ruimtelijke opzet ontmoeting en inclusie actief stimuleert. De zorgwoningen zijn verspreid over de wijk gebouwd en ontworpen als reguliere huizen, waardoor ze opgaan in de omgeving. Subtiele ruimtelijke ingrepen – zoals open zichtlijnen, minimale hekken en natuurlijke overgangen – creëren rust en toegankelijkheid. ‘Je rijdt een stukje door de bossen, maar je komt in een wijk op zich. Dus niet meer dat gevoel van weggestopt. De bewoners mogen er zijn.’ Aldus de afdelingsmanager.
De gemeente beheert de openbare ruimte zoals in reguliere woonwijken. Dit betekent dat Kloostervelden niet als een zorginstelling wordt behandeld, maar als volwaardige woonwijk. Denk aan straatnamen, groenbeheer en het ontbreken van typische instellingselementen zoals bewegwijzering. Daarnaast werden aanvullende voorzieningen ontwikkeld, die van waarde zijn voor de cliënten. Zo zijn er horecagelegenheden zoals een brasserie en een klein winkeltje, evenals een moes- en kruidentuin waarvan de opbrengst wordt gebruikt in de brasserie.

Focusgroep op Kloostervelden. Beeld: Fontys
Stimuleren van samenwerking
Sociale cohesie ontstond niet vanzelf, maar werd bewust gestimuleerd door het faciliteren van initiatieven en het creëren van ontmoetingsmomenten. Door cliënten en wijkbewoners op uiteenlopende manieren samen te brengen, groeide een platform voor sociale interactie, waarbij de wijkcoach een belangrijke aanjager is.
Er werden gerichte activiteiten georganiseerd, zoals rond feestdagen, groenbeheer, de moestuin en via een wijkkrant. Kansen die de wijkcoach zag en ideeën die bewoners hadden werden samen opgepakt, ieder vanuit zijn kwaliteiten. Zo zijn er naast de moes- en kruidentuin inmiddels een voedselbos en verfplantentuin bijgekomen. Ook kwamen cliënten en wijkbewoners samen met voorstellen zoals een gezamenlijke barbecue en film-marathon.
Gaandeweg breidden deze ontmoetingen zich uit. Specifiek werd ingezet op het enthousiasmeren van wijkbewoners voor contact, bijvoorbeeld via een welkombezoek en een geschenk bij verhuizing. Psycho-educatie, voorlichting over samenwonen met bewoners met een handicap aan wijkbewoners, droeg bij aan begrip voor het gedrag van cliënten en bood praktische handvatten voor de omgang. Dat levert wat op: wanneer een oproep voor vrijwilligers wordt gedaan, is er altijd voldoende animo.
Wijkbewoners geven bovendien aan dat deze ontmoetingen waardevol zijn, omdat ze hen in de rust van het contact leren om meer naar de kern te gaan en de echtheid van het contact te ervaren.
Deze groeiende betrokkenheid bleef niet beperkt tot wijkbewoners. Ook zorgmedewerkers, die aanvankelijk terughoudend waren, zagen gaandeweg de positieve effecten op bewoners en de gemeenschap. Daardoor nam hun betrokkenheid toe en gingen zij zelf initiatieven ontplooien.
Langjarige betrokkenheid
De ontwikkeling van Kloostervelden was een langdurig traject van ruim 14 jaar, gekenmerkt door pionieren, het overwinnen van juridische en organisatorische obstakels en het hebben van een lange adem. Bestuurders en bouwers werkten tegen de stroom in om hun visie te realiseren. Het proces draaide om het verbinden van verschillende partijen en vergde geduld, volharding en samenwerking.
Dat Kloostervelden een succes werd, is mede te danken aan mensen die durfden te dromen en buiten de gebaande paden dachten. Deze trekkers van verandering zagen kansen en alternatieven, bouwden bruggen tussen disciplines en stimuleerden groei. Hun rol ging verder dan hun formele functie: zij creëerden vertrouwen, ondersteunden initiatieven en gaven ruimte aan ontwikkeling.
Uit de studie blijkt dat Kloostervelden een lonkende perspectief laat zien van wat mogelijk is qua alternatieve woonvormen op een open instellingsterrein. In plaats van cliënten te laten integreren in de samenleving, wordt de samenleving uitgenodigd om zich te verbinden met de leefwereld van mensen met een beperking. Ook Sterrenberg van Abrona in Huis ter Heide, een wijk met 468 woningen en 250 zorgplaatsen laat zien dat dat dit mogelijk is (Abrona, 2024).
Een complexere casus
GGz Breburg in Etten-Leur illustreert hoe sociale integratie aanzienlijk complexer kan zijn wanneer het gaat om een doelgroep met ernstige psychiatrische problematiek. Volgens de projectleider van ‘Samenleven in de wijk’ is een aanzet tot verandering ontstaan door de invoering van de WMO en de Participatiewet in 2015.Dit betekende concreet dat veel cliënten buiten het GGz terrein, in een beschermde woonvorm, in de samenleving zijn gaan wonen. Door deze afschaling woonden er minder cliënten op het oorspronkelijke terrein. Een deel van de grond werd daarom verkocht aan een projectontwikkelaar. Om hiervoor financiële ruimte te creëren, is terrein verkocht in verband met de krimp van de instelling. De nieuwbouw is bovendien niet verspreid over het terrein, maar direct grenzend aan het GGZ-complex gesitueerd. Hierdoor ervaren cliënten vooral een verkleining van hun leefruimte, in plaats van een grotere maatschappelijke inbedding.
De belangrijkste belemmering lijkt echter samen te hangen met de aard van de problematiek. Wijkbewoners tonen terughoudendheid, mede door het gedrag van sommige cliënten, en hebben doorgaans weinig inzicht in wat het betekent om naast een GGZ-terrein te wonen. Hoewel psycho-educatie wordt aangeboden, blijft de opkomst laag. Ook cliënten zelf tonen weinig behoefte aan contact. Zij bewegen zich meestal binnen vaste patronen waarin zij zich veilig voelen en vermijden sociale interactie uit angst voor afwijzing – een ervaring die zij in hun leven vaak hebben opgedaan. Deze wederzijdse terughoudendheid maakt het creëren van dynamiek tussen nieuwe bewoners en cliënten bijzonder moeizaam.
Kansrijke maar geen vanzelfsprekende oplossing
De vergelijking tussen beide casussen maakt duidelijk dat zorginstellingsterreinen grote potentie hebben, maar geen eenvoudige oplossing bieden.
Kloostervelden laat zien dat het mogelijk is om wonen, zorg en gemeenschap te verbinden op een manier die bijdraagt aan zowel woningaanbod als kwaliteit van leven. Dit vraagt om een bredere blik: niet alleen het toevoegen van woningen, maar ook het creëren van een leefomgeving waarin ontmoeting, sociale inclusie en stimuleren van community building centraal staan. Tegelijk vraagt dit om gerichte keuzes in ontwerp, proces en begeleiding.
Succes hangt samen met fysieke menging, actieve sociale ondersteuning en een lange adem. Zonder die voorwaarden blijft integratie oppervlakkig of komt zij niet van de grond.
Voor wijkbewoners betekent deze woonvorm niet alleen het verkrijgen van een woning, maar ook het deel uitmaken van een gemeenschap die verrijkend kan zijn in vergelijking met reguliere wijken. Bovendien bevinden veel instellingsterreinen zich in groene omgevingen met monumentale panden, wat de woonkwaliteit verder verhoogt. Zoals een wijkbewoner treffend verwoordde: ‘Het voelt alsof ik thuiskom in een vakantiepark.’
Deze voorbeelden laten zien dat zorginstellingsterreinen unieke kansen bieden om wonen, zorg en gemeenschapsvorming te verbinden. Om deze potentie volledig te benutten, is samenwerking en visie nodig. Zorginstellingen, ontwikkelaars, beleidsmakers en onderzoekers worden uitgenodigd om gezamenlijk strategieën te ontwikkelen en concrete stappen te zetten voor de transformatie van zorginstellingsterreinen tot inclusieve, duurzame woongebieden die bijdragen aan het oplossen van het woningtekort en het versterken van sociale cohesie.
