De Nederlandse industrie moet verduurzamen. Dat is niet alleen de wens van de regering of milieuorganisaties. Ook de bedrijven zien zelf de noodzaak van een schonere productie in. Gemakkelijk wordt het niet, want hoe vernieuw je ingewikkelde processen waar tientallen leveranciers en afnemers bij zijn betrokken terwijl de productie door moet gaan? Om te investeren, moet er immers geld kunnen worden verdiend. En dan is er nog de belangrijke vraag wat zinvoller is: ombouw of nieuwbouw van installaties? Wie kiest voor ombouw, behoudt de bestaande productielocaties en past ze aan. Wie kiest voor nieuwbouw, begint op een andere plek met een schone lei. Beide opties hebben ruimtelijke consequenties die zelden worden doorgedacht.
Nadelen van nieuwbouw
In de expositie “Transit” midden op de Amsterdamse NDSM-werf gaat het Sustainable Industry Lab (SIL) dieper op beide opties in. Wie kiest voor nieuwbouw, zal daarvoor veel extra ruimte nodig hebben. Maar waar haal je die zo snel vandaan in een land waar om iedere vierkante meter wordt gevochten? Bovendien: een nieuw industriegebied inrichten kost tien tot vijftien jaar, als het al lukt. Al die tijd blijft de industrie op oude voet doordraaien en CO2 uitstoten.
Met het opgeven van de oude productielocaties komt op termijn wel ruimte vrij. Maar de grond zal lange tijd verontreinigd blijven en het opruimen van leidingen kost jaren, net als het aanpassen van planologische bestemmingen. De ruimtewinst wordt dus pas zichtbaar op de lange termijn.
Titanenklus
Het ombouwen van bestaande industrielocaties lijkt logischer: het kost op korte termijn minder ruimte. Maar de coördinatie ervan is een titanenklus. Zo heeft een raffinaderij die overschakelt van olie op biogrondstoffen tegelijkertijd nieuwe aanvoerlijnen, een waterstofaansluiting, aangepaste opslagcapaciteit en vergunningen nodig die op elkaar zijn afgestemd. Dat geldt niet voor één bedrijf, maar voor een cluster van ondernemingen die onderling nauw verweven zijn. En alle bedrijven moeten tegelijkertijd die transitie in, want het systeem werkt alleen als geheel.
Dat vraagt nauwe onderlinge afstemming en coördinatie tussen concurrerende bedrijven, gemeenten met elk hun eigen belangen en een rijksoverheid die tot nu toe geen traditie heeft van ruimtelijke industriepolitiek. De deltacommissaris coördineert de waterveiligheid. Maar wie werpt zich op om de industriële transitie in goede banen te leiden?
Regie gevraagd
Diezelfde sturingsvraag stond ook centraal in een ideeënbundel van Maarten van Poelgeest en Jeroen Niemans die uitkwam in dezelfde week dat de SIL-expositie opende. Pasklare antwoorden hadden de twee adviseurs niet, hun publicatie was eerder een verkenning van mogelijkheden. Beiden waarschuwden wél voor het almaar uitstellen van lastige keuzen die pijn kunnen doen maar noodzakelijk zijn. Met onze toelatingsplanologie hebben we te lang de kool en de geit willen sparen, maar die tijd lijkt voorbij.
De industrie heeft niet één dominante partij die de regie bij de transitie kan pakken. Verschillende stakeholders zijn wederzijds van elkaar afhankelijk en staan niet onder of boven elkaar in de hiërarchie. Dat zal ruimtelijke ordenaars bekend in de oren klinken. Op papier kan de provincie bij de aanleg van een woonwijk of bedrijventerrein weliswaar haar zin doordrukken. Maar in de praktijk komt een project alleen van de grond als ze op een slimme manier tussen verschillende belanghebbenden schakelt. Misschien moeten de energie-experts van het SIL eens bij planologen gaan buurten om ideeën op te doen voor hun aanpak van de verduurzaming van de industrie.


