Gerwin Gabry, programmadirecteur Omgevingswet bij KuiperCompagnons, bespreekt actuele toepassingen van de nieuwe wetgeving.
Het College van Rijksadviseurs (CRA) adviseerde eerder (2013 en 2016) ruimtelijke kwaliteit te zien als het ‘gist in het brood’ en als leidend motief voor omgevingsbeleid in de nationale omgevingsvisie. Gelukkig vindt dit advies navolging in de Ontwerp-Nota Ruimte, waarin ruimtelijke kwaliteit als een zaak van nationaal belang wordt gezien. Daarom staan er drie leidende principes in, namelijk ‘meervoudig ruimtegebruik’, ‘gebiedskenmerken centraal’ en ‘het zoveel mogelijk voorkomen van afwentelen’. Om de ruimtelijke kwaliteit in sectorale programma’s en gebiedsgerichte samenwerking te versterken, ondersteunt het Rijk de dialoog zoals met handreikingen Mooi Nederland, de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp en Platform OntwerpNL.
Gemeenten en hun samenwerkingspartners, waaronder de ‘gemeentelijke adviescommissies’, moeten het begrip ruimtelijke kwaliteit vertalen naar de beleids- en uitvoeringspraktijk. Best lastig, omdat de definities (ruimtelijke kwaliteit, omgevingskwaliteit en beeldkwaliteit) en producten behoorlijk door elkaar lopen. Zo staan er passages hierover in beeldkwaliteitsplannen, beeldregieplannen, handboeken ruimtelijke kwaliteit en (oude) welstandnota’s en - binnen het huis van de Omgevingswet – in omgevingsvisies, programma’s, omgevingsplannen en beleidsregels.
Wat de definities betreft, in de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening worden de begrippen gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde gehanteerd. Die begrippen kun je toepassen op omgevingskwaliteit, maar analoog aan het begrip ‘fysieke leefomgeving’ gaat omgevingskwaliteit ook over duurzaamheid, veiligheid en gezondheid. Beeldkwaliteit wordt vooral gebruikt in de context van concrete, vaak visuele, afspraken en richtlijnen over het gewenste uiterlijk, de inrichting en de samenhang van de fysieke leefomgeving (CROW).
Geef ruimtelijke-, omgevings- en beeldkwaliteit de juiste plek
Om meer scherpte te krijgen bij de toepassing van het begrip ruimtelijke kwaliteit in ruimtelijke instrumenten, is allereerst het doel van belang. Gaat het om het vastleggen en behouden van bestaande kwaliteiten, om een beleidsmatige visie op de toekomst of om het faciliteren van nieuwe ontwikkelingen door een kader mee te geven aan ontwikkelaars? In het eerste en tweede geval volstaat een omgevingsvisie en een doorvertaling in het omgevingsplan, eventueel via een gebiedsprogramma. In het laatste geval valt te denken aan specifieke regels in het plan en/of een beleidsregel voor de toetsing van een project of vergunningaanvraag.
Is daarbij dan meer een toetsingskader of een inspiratiekader nodig? Het ‘ja, mits-principe’ werkt het beste als er uitnodigende en praktische voorbeelden zijn die laten zien naar welke toekomst we onderweg zijn. Ook is relevant wie - college of raad? – waaraan, en op welk moment toetst. Verder is een vraag hoe we alle eisen en randvoorwaarden goed borgen. Kernkwaliteiten zijn best aardig geborgd in de gemeentelijke omgevingsvisies, maar nog niet zo concreet dat ze makkelijk te vertalen zijn naar regels.
Ik roep wellicht meer vragen op dan dat ik antwoorden geef. In elk geval is het zeer essentieel om ruimtelijke-, omgevings- en beeldkwaliteit de juiste plek te geven. Schoonheid is immers een universele menselijke behoefte, aldus de Ontwerp-Nota Ruimte.


