De beheersverordening onder de loep genomen

Afdrukken
woensdag 27 augustus 2014
Het instrument van de beheersverordening dat per 1 juli 2008 in artikel 3.38 Wro is verankerd, heeft tot op heden in de jurisprudentie nog relatief weinig aandacht gehad. ‘Onbekend maakt onbemind’, lijkt wel enigszins van toepassing te zijn op de beheersverordening. Een drietal – min of meer gelijkluidende – uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 augustus jl. biedt goed inzicht in de manier waarop dit instrument kan worden gebruikt. De uitspraken zijn daarmee zeer waardevol voor de praktijk. Wat was er aan de hand?...

> http://bloggebiedsontwikkeling.nl/blog/de-beheersverordening-onder-de-loep-genomen/

Berlijn bewijst dat de theorie van rust versus drukte klopt!

Afdrukken
woensdag 27 augustus 2014
Is Berlijn een mooie stad? Over schoonheid wordt per definitie getwist, maar als je deze stad aandoet na een bezoek aan Kraków ben je geneigd ontkennend te antwoorden. Maar in tegenstelling tot Kraków is Berlijn behoorlijk gebombardeerd, en in de wederopbouw van Berlijn was kwaliteit ondergeschikt aan kwantiteit. Met als resultaat intersubjectieve lelijkheid. Maar, het kon niet anders.

Met deze verklaring voor lelijkheid is de toon voor Berlijnse schoonheid gezet. Die schoonheid is voor een groot deel de zware adem van de geschiedenis die uit bijna alle gebouwen blaast. De kogelgaten zijn na de Wende weliswaar veelal opgevuld, maar voor de goede waarnemer nog duidelijk zichtbaar. De voormalige Reichstag mag dan prachtig gerestaureerd zijn om een nieuwe rol in de Duitse geschiedenis te gaan spelen, hij dwingt de passant nog steeds zijn bewogen curriculum op. Dat geldt voor vele gebouwen, waarvan de Brandenburger Tor, Fernsehturm, Olympiagelände, de voormalige Stasi-gevangenis in Hohenschönhausen en de restanten van de Hochbunker in de Pallasstraβe de bekendste zijn. Maar ook veel plekken (als de Wannsee), of simpelweg straatnamen als Straβe des 17. Juni rochelen bloedige historie.

De moderne westerse geschiedenis is in Berlijn in fysieke vorm neergeslagen en daarom juist in deze stad zo intens te beleven. Wandelingen roepen keer op keer verschillende beladen momenten uit de laatste 150 jaren als vanzelf op. Loop je een hoek om dan bots je weer op een ander fase uit het recente verleden. In menige Eckkneipe zijn aan stamgasten nog verhalen te ontfutselen over Nachkriegszeit, Mauerbau en Wende. Geschiedenis leeft in Berlijn, en dringt zich tot in de kleinste vezels van je lijf aan je op. Telkens weer.

Is Berlijn daarmee een stad die in het verleden leeft? Allesbehalve. Ik ken geen Europese stad met meer dynamiek. En dat is meteen de tweede verklaring voor Berlijns schoonheid. De stad ontwikkelt zich razendsnel. Nog geen vijf jaar geleden ontbeet ik op een zondagochtend met een Berlijnse collega in een café aan de Annemirl-Bauer-Platz nabij Ostkreuz. Een rafelrand destijds. Op zoek naar dat café stuitte ik vorige week op een hip pocketpark met meerdere horecagelegenheden nabij Ostkreuz dat aan een gigantische transformatie onderhevig is. Complete gedaanteverwisseling binnen vijf jaar! Dat is razendsnel. En deze plek is niet de enige in transitie. Het zijn er teveel om op te noemen. Hijskranen zwiepen heen en weer. De stad is eine Baustelle. Gentrificatie is in Berlijn een razendsnel uitrollend proces.

Berlijn (3,5 miljoen inwoners) groeit gigantisch met de laatste jaren gemiddeld 30.000 inwoners per jaar. Op zich niet zo gek is voor een westerse stad, maar toch opmerkelijk gezien het nog steeds hoge werkloosheidspercentage (14%). De nieuwkomers zijn niet alleen studenten, jongeren en buitenlandse beleggers. De natuurlijke aanwas is de laatste jaren flink gestegen, met name in de ‘hippe’ centrale delen van de stad. En nu kom ik tot het punt dat ik wil maken.

‘Berlijn bewijst dat onze theorie klopt!’. Deze parafrasering van Jane Jacobs’ opmerking over Amsterdam duidt op de door Koos van Zanen en mij in menig beleidsdocument en publicatie vastgelegde constatering dat het succes van steden onder andere is toe te schrijven aan de mogelijkheid rustig te wonen met om de hoek de drukte, levendigheid en voorzieningenrijkdom. Berlijn is een aaneenschakeling van drukke stadsstraten met daarachter prachtige, rustige woonwijken. Loop over de stadstraat Turmstraβe in Moabit met haar veelheid aan (etnische) restaurants, winkels, bakkers enzovoorts, sla dan de Waldstraβe in en wandel door de aangrenzend straten. Een groene maar dichtbebouwde oase met spelende kinderen op straat en op speelplekken, inclusief Grundschule en hier en daar een restaurant of dienstverlenend bedrijf.

Bezoek het historisch beladen Rathaus Schöneberg en wandel via de drukke, lawaaierige, levendige Hauptstraβe door naar de Crellestraβe. Als je deze laatste straat instapt merk je dat na nog geen 25 meter het lawaai van de stadstraat niet meer te horen is. Prachtige 19de eeuwse (gesloten) woonblokken, met een enkele voorziening in de plint, kinderen op straat, groene speelplekken en hier en daar een terras voor lunch of ontbijt. Volgens Berlijnkenner Vincent Kompier is het kindvriendelijke Schöneberg sowieso het best bewaarde geheim van Berlijn.

Maar er zijn vele, vele Wald- en Crellestraβen in zowel het westelijk als oostelijk deel van Berlijn. Veelal is het de niet gebombardeerde of herstelde 19de eeuwse bebouwing grenzend aan een stadstraat die garant staat voor succes. Bekijk de Diefenbachstraβe in Kreuzberg of de Oderbergerstraβe in Prenzlauer Berg. En ik kan nog wel even doorgaan.

Natuurlijk, ook Berlijn voldoet aan de andere condities voor een succesvolle stad: een hoge mate van functiemix en een omvangrijke (groeiende) bevolking. Het dringt nu ook eindelijk door in de hogere economische echelons. Niemand minder dan Coen Teulings stelde in NRC Handelsblad van 20 augustus jongstleden juist Berlijn als voorbeeld van een stad die door een hoge concentratie aan mensen in een compacte ruimtelijke setting succesvol is. Let op zijn woorden: “wie de toegang tot dit succes afkapt, richt een ramp aan”!!

En zo is het maar net. Berlijn is een voorbeeld voor Nederlandse steden. In Berlijn geen klachten over een enkele terras in de woonbuurt, laat staan over scholen in de woonwijk. Berlijn is al ruim honderd jaren een wereldstad. De Nederlandse stadsbewoners mekkeren over ieder kind dat wat te hard schreeuwt, of de toerist die verdwaald en aarzelend op zijn fiets zit. Nederlandse stadsbewoners moeten nog stedelingen worden. Stedeling worden gaat soms van au, maar dan heb je ook wat. Berlijn kan daarover als geen ander meepraten.

Jos Gadet
Hoofdplanoloog, Dienst Ruimtelijke Ordening gemeente Amsterdam

Verkoop nieuwbouwwoningen nog een taai gevecht

Afdrukken
dinsdag 26 augustus 2014
De verkoop van woningen trekt weer aan. Ook in de nieuwbouw is er enige groei. Maar het gaat zeer moeizaam. In totaal zullen er waarschijnlijk in 2014 ca. 25.000 nieuwe woningen opleveren. Dat is het laagste aantal in ca. 100 jaar, oorlogsjaren niet meegerekend. Voor de crisis was er sprake van jaarproducties van ca. 80.000 woningen. Waarom gaat het herstel zo traag?

De signalen lijken goed: er wordt meer dan ooit gebruik gemaakt van de mogelijkheid om goedkope startersleningen te krijgen; van de regeling waarbij ouders belastingvrij aan hun kinderen kunnen schenken voor aankoop van een huis/hypotheekverlichting is veel meer gebruik gemaakt dan verwacht. In Amsterdam wordt een deel van de woningen weer boven de vraagprijs verkocht, maar Amsterdam is een uitzondering. De nieuwbouw heeft het nog steeds heel erg moeilijk. Daarvoor is een aantal redenen.

De corporatiesector bouwt vrijwel geen koopwoningen meer en nauwelijks huurwoningen. Dat eerste is in lijn met het kabinetsbeleid, zij het dat de verwachting dat de private sector dat gat zou vullen, (nog) niet is uitgekomen. Dat er minder huurwoningen door de corporaties worden gerealiseerd, zal alles te maken hebben met de pas op de plaats om alle nieuwe maatregelen als verhuurderheffing en komende herziening van de woningwet te laten landen.

Een hele belangrijke oorzaak van het langzaam op gang komen van de nieuwbouw is de concurrentie van de bestaande woningen die in verkoop zijn. Dat zijn er ongekend veel. Dat zorgt er voor de prijzen nog steeds laag zijn, ook al is er enige stijging (en ook hier weer: in Amsterdam veel). De grote aantallen te koop staande bestaande woningen zorgen voor prijzen per m2 waarmee de nieuwbouw maar heel moeizaam kan concurreren. Natuurlijk: nieuwbouwwoningen hebben (meestal) een betere kwaliteit, betere energiescore etc. Maar zelfs als we daarmee rekening houden, is de bestaande woning per m2 verhoudingsgewijs vaak goedkoper dan de nieuwbouwwoning. Dat is vòòr de crisis jarenlang andersom geweest: bij een nieuwbouwwoning kreeg je meer waar voor je geld.

Tijdens de crisis is door het Kunduz-akkoord de nieuwbouw door twee maatregelen verder achterop geraakt ten opzichte van de bestaande woningen: de bestaande voorraad kreeg het cadeautje van de verlaging van de overdrachtsbelasting van 6 naar 2% en de BTW ging van 19 naar 21%. Beide maatregelen waren ongunstig voor de nieuwbouw.

Pas als door de opgaande vraag de prijs van de bestaande woningen weer verder stijgt, zal de nieuwbouw weer meer kansen krijgen. Tot die tijd, maar ook daarna, geldt: bij een nieuwbouwwoning moet alles kloppen wil die kansrijk zijn in de verkoop. “Oude” plannen alsnog uit de kast halen is er daarom vaak niet bij. Alleen woningen waarvan we zeker weten dat er vraag naar is, en dan ook nog op de goede locatie, met de juiste bezonning, de juiste plattegrond etc. etc. maken kans. Dat is voorlopig de nieuwe uitdaging voor ontwikkelaars.

Jos Feijtel is ex-wethouder, ex-corporatiedirecteur en ex-commerciële projectontwikkelaar en nu actief als lid van het Actieteam Ontslakken en als dispositie-expert.

Fight, flight or fright

Afdrukken
woensdag 13 augustus 2014
Hevige regenbuien teisterden de Nederlandse steden. De riolering raakte vol en de grond doordrenkt. Experts schieten als voorjaarsbloemen de grond uit. We moeten minder verhard oppervlak hebben! De mensen moeten hun tuinen niet meer bestraten! Meer berging! Zandzakken voor de deur!

Het verminderen van verhard oppervlak is een goede ontwikkeling, maar ik zie de individuele burger echt niet zijn tegeltjes weghalen. En ja, waterberging is een must en zet zoden aan de dijk, maar lost niet het gehele probleem op.

Tot nu toe zijn we druk bezig op alle fronten te voorkomen dat overlast ontstaat. Het preventie denken kent echter grenzen. Niet alles valt te voorkomen en/of af te vangen. Dus overlast gewoon accepteren?

De menselijke geest werkt echter niet mee. Op een of andere manier hechten we meer waarde aan het gevecht dan aan acceptatie. Gevecht is moed en doorzettingsvermogen, terwijl acceptatie enigszins tegen je wil toegeven is. Acceptatie is de handdoek in de ring gooien en verwijzen we dus al snel in de prullenbak.

En zo ontstaat het eeuwige gevecht tussen de ingenieur die structuur wil en risico’s wil ontmantelen en het water dat stroomt en grillig zijn weg vindt.

Is hier ook een poldermodel mogelijk? Is er een oplossing tussen strijd en acceptatie? Geen algehele acceptatie, geen gevecht, maar begeleiden van de waterstroom. Een soort Aikido dus. De kracht vroegtijdig ombuigen in een door jou gewenste richting. Niet gekunsteld afvoeren via riolering, maar direct over straat.

Floris Boogaard (Lector Hanzehogeschool Groningen/Tauw) in het Parool van 6 augustus 2014:

“Net als vroeger
Nu we weten dat het water bij hevige neerslag door enkele Amsterdamse straten stroomt, moeten we het water helpen door hindernissen als verkeersdrempels weg te nemen en waar mogelijk de straat onder een kleine helling te leggen, zodat het water ongestoord naar grachten en oppervlaktewater loopt. Net als vroeger.”


Panta Rhei van de filosoof Heraclitus doet hier opgeld. Het water stroomt zoals het wil. En ja, op de camping houden we daar al rekening mee. We zoeken een plek die wat hoger ligt, en mocht het echt hard gaan regenen dan leiden we het water via gootjes om de tent heen.

Dat principe kunnen we doorzetten. Door het verwijderen of juist plaatsen van drempels en trottoirbanden het water over straat leiden naar plekken waar het weinig kwaad kan. Of, waarom niet andersom. Niet kijken waar het naartoe kan, maar waar het naartoe gaat faciliteren. Minder kwetsbare functies dus op plaatsen waarvan we weten dat het water zich verzamelt.

Interessant! Want welke plekken of functies komen dan in aanmerking? Te denken valt aan speelplaatsen, sportvelden en pleinen. Maar waar kan het water nog meer naartoe? Parkeerterreinen? Parken? Begraafplaatsen? Vuilstort?

Ook hier lopen we tegen acceptatiecriteria aan. Wanneer ervaart men wateroverlast? Wellicht vindt men het niet erg dat de speelplaats af en toe onder water staat, maar een begraafplaats. Onderzoek naar acceptatiecriteria lijkt dus nodig.

Indien je van te voren weet wat je kunt verwachten lijkt de acceptatiegraad een stuk hoger. Stel je voor dat ieder huis naast een energielabel een (water)-overlastlabel zou hebben. In een oogopslag is duidelijk of en in welke mate er sprake is van wateroverlast. Zijn de verzekeringsmaatschappijen vast blij mee!

Er zal nog heel wat water door de Rijn stromen voordat we de balans tussen technische oplossing en acceptatie vinden.

Maar ja, zoals mijn oma altijd zei: Zo lopen de gootjes als het regent!

Fred Bransen is als programmamanager ruimtelijke kwaliteit/consultant werkzaam bij adviesbureau Tauw

Duivels dilemma

Afdrukken
woensdag 13 augustus 2014
De overheid staat voor een duivels dilemma. Terwijl de leegstand van winkels en kantoren alsmaar toeneemt, stoot zij – het Rijk, de provincies en vooral de gemeenten - de komende tijd ook nog eens zo’n 20 miljoen m² kantooroppervlak af. Op dit moment staat 1,2 miljoen m² aan Rijksvastgoed leeg, volgens de kabinetsplannen worden tot 2020 nog eens zo'n vijfhonderd gebouwen afgestoten met een totale oppervlakte van 2,7 miljoen m². Bij met name gemeenten gaat het om een veelvoud daarvan.

Enerzijds is er de ambitie om af te slanken, terug te trekken op kerntaken en meer aan de samenleving over te laten. Anderzijds is de overheid zich bewust van het ontwrichtende effect dat het op de markt brengen van zoveel overbodig vastgoed zal hebben. Vanuit het net opgerichte Rijksvastgoedbedrijf klinkt de boodschap dat het afstoten van Rijksgebouwen met beleid en in overleg met andere overheden zal gebeuren. Dat laat onverlet dat het gecombineerde effect van leegstand in Rijksvastgoed en wat gemeenten en zorgorganisaties bijvoorbeeld de komende jaren afstoten in veel gemeenten rampzalige gevolgen zal hebben voor de economische perspectieven en de leefbaarheid.

De leegstand stijgt met stip op de lijst hoofdpijndossiers en vraagt om veel meer actie dan wat tot nu toe is ondernomen. Overheid en markt moeten hier samen optrekken, waarbij de overheid niet kan volstaan met het faciliteren en stimuleren van al dan niet tijdelijk hergebruik en transformatie. Dat moet zeker gebeuren. Sterker, het moet veel steviger worden aangezet. Daarnaast is het nodig dat er met man en macht, en toch met chirurgische precisie, in de bestaande voorraad wordt ingegrepen. Per deelgebied, op straat en pandniveau besluiten tot sloop waar dat nodig is en compleet andere invulling waar mogelijk. Daarvoor is veel geld nodig. Dit najaar kunnen we de Deltabesluiten verwachten. Waar blijft het Deltaplan voor de leegstand om onze steden te redden, dan wel sterker te maken?

Marcel Bayer, hoofdredacteur ROm

Stedelijke herverkaveling: naar een hogere versnelling!

Afdrukken
woensdag 30 juli 2014
Waar het gaat om gebiedsontwikkeling staat het onderwerp stedelijke herverkaveling de laatste tijd volop in de spotlights. Recentelijk hebben met betrekking tot dit onderwerp twee belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden. Het betreft het verschijnen van het rapport ‘Grenzen Verschuiven’ en het aannemen van de ‘motie De Vries’...

> http://bloggebiedsontwikkeling.nl/

Terras-economie

Afdrukken
woensdag 30 juli 2014
Grote kans dat u deze zomer op een terras heeft gezeten. In uw eigen woonplaats of in het historische centrum van een buitenlandse stad. Of misschien wel in een spannende pop up kroeg in een buurt die volgens de reisgids nog niet ontdekt was (om ter plekke met twintig verschillende nationaliteiten naar een WK-wedstrijd op een groot scherm te kijken). Zonder terrassen is een stad geen stad. Het terras is de lakmoesproef voor stedelijkheid, het symbool voor de stad als ontmoetingsplek waar mensen elkaar inspireren, tolereren en beconcurreren. Iedereen die beroepsmatig met de stad heeft te maken, is op zijn minst een beetje volgeling van de legendarische Jane Jacobs, die het belang van ontmoeten wetenschappelijk beschreef en met succes strijd voerde tegen plannen om New Yorkse wijken bruut te doorsnijden met autowegen.

Iedereen? De eigenzinnige geograaf Jim Russell noemt het flauwekul dat mensen creatiever en innovatiever worden als ze elkaar maar vaak genoeg in de openbare ruimte ontmoeten. Pseudo science, om precies te zijn. Drukte is weliswaar een kenmerk van steden, maar er is volgens Russell geen empirisch bewijs dat het de productiviteit bevordert. Natuurlijk bestaan er wel clusters van bedrijven en kennis-instellingen waarin talent elkaar versterkt, maar de gebouwde omgeving heeft daar niets mee te maken. 'A quality of place doesn’t make anyone more creative, more innovative. People develop, not places,' schrijft Russell in een van zijn artikelen voor webmagazine Pacific Standard.

Altijd goed om meningen te horen die tegen de stroom ingaan. En helemaal als een verrassing komt het nu ook weer niet. Zo'n tien jaar geleden leek iedereen nog in de ban van de gedachte dat de 'creatieve klasse' de pijler zou worden van een nieuwe stedelijke economie. Ruimte bieden aan jonge en hoogopgeleide bewoners, met een voorkeur voor leefbare en bruisende binnensteden, zou de weg banen naar economisch succes. Inmiddels is wel duidelijk dat het toch iets genuanceerder ligt. Die creatieve klasse bestaat zeker, maar blijkt veel te klein om de kar van de stedelijke economie te trekken. Ook de grondlegger van de creative class theorie, Richard Florida, heeft inmiddels toegegeven dat hij te optimistisch is geweest.

Maar de eigenzinnige Jim Russell gaat veel verder. Hij wrijft het erin, gebruik makend van data die tegen heersende opvattingen ingaan. Neem nu Portland, de lieveling van alle urbanisten, want hét voorbeeld van een coole en leefbare stad. Een stad die investeert in fietspaden en openbaar vervoer en die als een magneet werkt op jonge en getalenteerde mensen. Maar hoe komt het dan dat Portland economisch slechter presteert dan het gemiddelde in de VS, vraagt Russell zich af. Inmiddels ligt het gemiddeld inkomen er onder het nationale gemiddelde, terwijl het er in 1997 nog vijf procent boven lag. Russells verklaring: cool is geen groeistrategie. Het leefbare Portland is er na de crisisjaren in geslaagd om nieuwe bewoners aan te trekken, maar dat is een tijdelijk succes. Het ontwikkelen van talent is belangrijker, en daarin blijft de stad achter. Portland is een oord geworden voor 'jonge mensen die vroeg met pensioen willen'. De analyse doet denken aan Berlijn, ook zo'n stad die als een creatieve magneet geldt, maar waarvan de aantrekkingskracht bij nadere bestudering vooral op de beschikbaarheid van goedkope woonruimte is gebaseerd. Het 'succesvolle' Berlijn kampt met enorme schulden, veel armoede en een hoge werkloosheid.

Moeten we dan maar stoppen met investeren in leefbare steden en bruisende ontmoetingsplekken? Dat zou natuurlijk onzin zijn. Maar de kritiek van Russell stemt wel tot nadenken over wat je met ruimtelijke planning wel of niet kan bereiken. Misschien moet je helemaal niet willen bewijzen dat meer leefbaarheid tot meer welvaart leidt. 'Not everything that counts can be counted, and not everything that can be counted counts', schreef Albert Einstein. Een mooie om over na te praten op een terras.

Martin de Jong www.vrije-ruimte.blogspot.nl

Stadse agenda’s

Afdrukken
woensdag 16 juli 2014
De Kunsthal en het Natuurhistorisch Museum Rotterdam staan deze zomer in het teken van de stad, in het kader van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR) Urban by Nature met een grootse expositie, tal van lezingen en debatten. Hoe omgaan met de snelle verstedelijking op wereldschaal en de steden toekomstbestendig maken, zijn eigenlijk de hoofdvragen van deze intellectuele oefening. De indrukwekkende expositie in de Kunsthal brengt in beeld hoe steden knooppunten zijn van menselijke interactie met de natuur.

De opvatting dat de stad, de bij uitstek door de mens gecreëerde omgeving, tegenover de natuur staat, is achterhaald. We moeten de stad gaan zien als een levend organisme dat groeit en bloeit door enorme hoeveelheden energie en natuurlijke hulpbronnen tot zich te nemen en dat afval- en afbraakproducten afscheidt. Aan de hand van een tiental stofstromen als energie, voedsel, water, afval, lucht en bouwmateriaal wordt getoond wat de stad aan natuurlijke producten gebruikt en verbruikt, en wat de stad aan producten levert. Meteen is duidelijk dat dit binnen niet al te lange tijd ophoudt bij het huidige tempo van de verstedelijking en de wijze waarop die plaatsvindt. Dan zijn die energiebronnen en grondstoffen uitgeput of zo duur geworden dat de stofwisseling vanzelf stopt, als het stijgende water door de klimaatverandering dan al niet tot onze lippen staat. Einde verhaal dus.

Meest fascinerend vind ik zelf de illustraties van projecten, van Rotterdam tot San Francisco en van Havana tot Helsinki, waar overheden, bedrijven en burgers proberen de toenemende kloof te dichten tussen wat de stad neemt en geeft. Groei en natuur blijken op een slimme en duurzame manier heel goed te verweven en dan blijkt de stad ineens wel toekomst te hebben.

In hun essay Een paradigma voor slimme verstedelijking in ROmagazine 6 (juni 2014) zetten Maarten Hajer en Anton van Hoorn, resp directeur en senior onderzoeker bij het PBL, uiteen wat de uitdagingen en kansen zijn. Steden zijn als knooppunten van de stofstromen, maar ook van innovatie, creativiteit en bestuurskracht dé plek om onze samenleving te verduurzamen. Het moet en het kan, met een overtuigende visie en een goed plan.

Uit de IABR-lezingen en -debatten in juni en juli over de vraag wat de reikwijdte van die visie zou moeten zijn, welke ingrediënten daar in moeten zitten en wie daaraan zou moeten werken, kwam vervolgens nog niet heel veel concreets naar voren. Laat staan dat er al een begin van een plan was te trekken. Wel lopen er twee belangrijke initiatieven, die het debat verder op gang kunnen brengen: het Jaar van de Ruimte 2015 en Agenda Stad in 2016, als Nederland voorzitter van de EU is. Goede initiatieven om weer te komen tot een visie op onze ruimtelijke ordening en vooral de rol van de stad daarin en om de opgaven die er liggen ook in samenhang aan te pakken. Dat laatste is hard nodig. Wat tijdens de IABR-bijeenkomsten opviel, was dat het debat nog voornamelijk binnen de sectoren – vooral die van stedenbouw en architectuur - en op het niveau van de rijksoverheid en de wetenschap plaatsvindt.

Het zijn tot nu toe onderzoekers, bevlogen rijksambtenaren, stedenbouwkundige adviseurs en architecten die meedoen. Slechts enkele vertegenwoordigers van Nederlandse steden lieten zich zien en de scheiding der geesten tussen duurzaam, sociaal, economie en ruimtelijk is nog groot, ondanks alle mooie intenties voor integraliteit in het beleid. Dat moet echt veranderen, wil er een serieuze en gedragen aanpak van de grond komen.

U kunt overigens nog tot en met 24 augustus naar Urban bij Nature, Kunsthal en Natuurhistorisch Museum, Rotterdam. www.iabr.nl

Marcel Bayer
hoofdredacteur Rom

Amsterdam zien, Holland ontdekken, Underground ondergaan: IBA Parkstad moet een Nederlandse Internationale Bauausstellung worden

Afdrukken
woensdag 16 juli 2014
IBA Emscherpark (1990 – 1999) heeft een overweldigende indruk op me gemaakt. Dit heeft zeker te maken met mijn wortels in het glooiende Limburgse landschap en zijn mijnbouwverleden. Maar bovenal, dit indrukwekkende cultureel, architectonisch, ecologisch en economisch revitaliseringproject in het Ruhrgebied, krimpregio avant la lettre, kantelde mijn perceptie van dit brongebied van het West-Europese Wirtschaftswunder. Na mijn eerste bezoek midden jaren ’90 heb ik deze plek elk jaar meerdere malen bezocht. Daarna heb ik ook ander IBA’s gevolgd en bekeken.

Ik raakte dan ook in vervoering toen ik hoorde van IBA Parkstad (de eerste IBA buiten Duitsland) die de krimpende Oostelijke Mijnstreek, motor van de Wederopbouw, weer met trots moet gaan vervullen. Ook vanwege mijn betrokkenheid bij ‘Amsterdam Verantwoordelijke Hoofdstad’, waarin de hoofdstad met Sluis, Delfzijl en Heerlen de problematiek van krimpregio’s analyseert en naar mogelijke interventies zoekt, reisde ik vrijdag 27 juni af naar Kerkrade om de opening van IBA Parkstad bij te wonen. Die was in een kerk buiten dienst in de wijk Heilust, waarmee direct duidelijk werd gemaakt waarom een IBA in dit deel van Nederland nodig is: de situatie is er ruimtelijk, economisch en sociaal vrij hopeloos. Een inspirerend betoog van minister Frans Timmermans, geboortige Limburger. Warme tromboneklanken uit de traditierijke Limburgse fanfarecultuur. De door mij bewonderde Jo Coenen, ook een Limburger, als directeur. Prachtig!

Maar hier wordt ook een eerste valkuil zichtbaar: de Limburgse geslotenheid. IBA Parkstad is weliswaar in Limburg, maar niet voor de Limburgers alleen. Gooi op zijn minst de poorten naar Luik, Hasselt en Aken open. Beter nog, nodig internationale architecten of planners uit. Hou het niet klein, maak het groots! Internationale Bauausstellung. Ook uit Detroit en Taipei valt veel kennis en creativiteit te halen.

Een tweede valkuil is de afwezigheid van industrieel erfgoed. In Limburg zijn de industriële complexen direct na de mijnsluiting ab sofort gesloopt. Geen te transformeren imponerende complexen als Zeche Zollverein in Essen of de mijnen Waterschei en Winterslag in Genk. Een miscalculatie van de eerste orde, al heeft het geen zin daarover te blijven mekkeren.

In feite is IBA Emscherpark achteraf gezien ook wel een makkie geweest. Leer van die Limburgse blunders, dachten de geniën Karl Ganser (architect) en Christoph Zöpel (bestuurder), en laat vooralsnog al die complexen staan. De renaturalisatie van de rivier de Emscher was een pars pro toto voor de herstructurering van de wegroestende industriecomplexen. Vele nieuwe (culturele en technologische) ideeën en vooral heel veel geld hebben geleid tot mondiale parels als Zeche Zollverein en Landschaftspark Duisburg Nord. Additionele vergroening van deze zwarte vlek in Duitsland deed de rest.

IBA Parkstad heeft het een stuk moeilijker. Geen industrieel erfgoed, obligate vergroening met nota bene het concurrerende groene cultuurlandschap Mergelland aangrenzend, veel minder geld, en veel minder inwoners. Dan is het niet zo gek dat bij de kick off geen visie werd gepresenteerd. Exemplarisch was de inaugurale rede van directeur Jo Coenen: toch nog net iets te onsamenhangend en zonder duidelijke richting. De Tilburgse hoogleraar en Maastrichtenaar Hans Mommaas, vrijetijdsexpert par excellence en ambassadeur van IBA Parkstad, wist het ook niet precies. Een enkele mijn openstellen zoals in het aangrenzende Waalse Blegny schijnt onmogelijk omdat de Nederlandse mijnen allemaal zijn volgelopen met water. Zou het werkelijk?

Dus wat te doen? In elk geval geen ‘vergroening’ als Leitmotiv. Ophouden! Nog nooit heeft vergroening alléén een plek in misère er bovenop geholpen. Bovendien, zo mooi als het Mergelland wordt Parkstad nooit meer.

Wat is het comparatieve voordeel van Parkstad? Underground! Met deze door de Amsterdamse planologe Margreet Leclercq (eveneens van Limburgse origine) gemunte term slaat zij de spijker op de kop. Met Dutch Underground verwijst ze naar de ondergrondse arbeid in de Nederlandse mijnstreken. De Limburgse mijnbouw is voor Nederland weliswaar uniek, maar niet voor deze Europese regio. Wel uniek is dat er in het landschap nagenoeg niets meer van te herkennen is, in tegenstelling tot het Ruhrgebied en Belgisch Limburg. Verbeeld die ondergrondse historie op maaiveld! Daag kunstenaars, ontwerpers en historici uit deze geschiedenis opnieuw vorm te geven! Met Dutch Underground verwijst Leclercq ook naar de rijke en unieke muziekhistorie van de jaren ’60 en‘ 70 toen de in Brunssum gelegerde Amerikaanse soldaten zorgden voor swing, funk en jazz in de Heerlense cafés. Er ligt in die streken nog steeds een verborgen en in traditionalisme verzakkende muzikale infrastructuur van harmonieën, fanfares en Wereld Muziek Concours. Een (inhoudelijke) revitalisering van deze infrastructuur op nieuwe en steeds weer andere locaties ligt voor de hand.

Leclercqs Dutch Underground verwijst ook naar het voor Nederland en de grensstreek unieke ruige uitgaanscircuit in de Heerlense regio in die tijd, waarbij dat van Amsterdam maar schril afstak. Discotheken als Femina waren beroemd en berucht. Het grote Pinkpop is daarvan een (inmiddels mainstream) gevolg. Ook die infrastructuur kan als katalysator dienen om aan de groeiende behoefte aan festivals met een rauw randje te kunnen voldoen (zie NRC Handelsblad van 11 juli). Juist in Parkstad, het rauwe randje van Nederland bij uitstek. Ruw landschap en veel lege kantoren, winkels, woningen en zelfs buurten. En als er een melting pot in Nederland bestaat dan is dat de Oostelijke Mijnstreek met zijn gemengde en geassimileerde bevolking van voor een groot deel Poolse, Hongaarse, Oekraïense, Duitse en Sloveense origine.

Tenslotte, met underground duidt Leclercq ook waarmee Heerlen en omstreken zich onderscheiden van het zoetere en ‘romantische’ Maastricht. Daarmee flikkert opeens een uniek toeristisch arrangement op: Historisch en mondain Maastricht – Mergelland – Edge City Heerlen

In de Oostelijke Mijnstreek is qua leisure wel het een en ander te doen: een van de grootste indoor skibanen, Mondo Verde en nog zo het een en ander. Maar het zijn solitairen. Ze hangen, net als het landschap, als los zand aan elkaar. Onder het motto Dutch Underground zouden vergeten en verbrokkeld landschap, de ijle agglomeratie, verborgen kunst (denk bijvoorbeeld aan het oeuvre van architect Frits Peutz), vastgeroeste cultuur en belegen vrijetijd door unieke product-marktcombinaties en verfrissend hergebruik van de leegstaande bedrijven, winkelstraten en wijken, tot een nieuwe economie kunnen uitgroeien. Want dat is waar het in een Internationale Bauausstellung uiteindelijk om gaat: economische revitalisering en een (weer) trotse bevolking.

Dat is de uitdaging waar Jo Coenen zich voor gesteld moet zien, en waarmee hij de Maastrichtse, nee Nederlandse, nee Euregionale kunstacademies, conservatoria, technische hogescholen, ontwerpbureaus, ontwikkelaars en Einzelgänger moet stimuleren. Het vizier van deze instituten, visionairen en (niet alleen) hoofdstedelijke ambtenaren moet de komende tien jaren gericht zijn op Underground in de Oostelijke Mijnstreek. De streek en de mensen daar zijn het waard (de kolen zijn immers nog niet afbetaald), de ligging biedt potentie (centraal Europees), en de plek is goed ontsloten via een dicht stelsel van autosnelwegen en het kwijnende Maastricht-Aachen Airport. De Euregionale openbaar vervoer-connectiviteit verdient overigens behoorlijk wat aandacht.

Laat dat ook doordringen tot de Limburgse journalistiek en de elitaire Nederlandse kranten. De Limburger bracht in het regionale katern een wat obligaat interview met Jo Coenen daags na de opening, NRC Handelsblad zweeg hooghartig in alle talen. Ongelooflijk! Men heeft geen benul wat een IBA kan betekenen: Dutch Underground is de Emscher van IBA Parkstad.

Jos Gadet
Hoofdplanoloog, Dienst Ruimtelijke Ordening gemeente Amsterdam 

Voor de zomer nog even een workout: Stressen of stretchen?

Afdrukken
woensdag 02 juli 2014
Luuk Postmes van gemeente Eindhoven en ik staan bij het stadskantoor Eindhoven, het startpunt van onze zoektocht naar do’s en dont’s in de buitenruimte. Volgens onderzoek van een uitzendbureau is stress onder de beroepsbevolking met 40% toegenomen en is er sprake van een sluipmoordenaar. Dus we gaan lekker gezond op de fiets.

Top weer trouwens. De zon schijnt weldadig.

Jullie hebben toch een hittestresskaart laten maken, Luuk? Doen jullie daar nog wat mee? Jazeker, bij nieuwe projecten kijken spelen we met water en groen en is er aandacht voor kleurgebruik van verhardingen ed. Zo blijft de stad ook in de toekomst leefbaar.

Zo fietsen we filosoferend en observerend door de stad. We leren van elkaar en over de buitenruimte. We eindigen ons rondje weer bij het stadskantoor.

Naast het stadskantoor ligt een groen veld waar klaarblijkelijk nog geen duidelijke bestemming voor is.

Hier wil ik wel eens mee aan de gang, Fred. Maar ik weet nog niet wat.

En dan zie ik het voor me! De elementen die deze ochtend voorbij kwamen: stress, hittestress, werk, buitenruimte, bewegen, anders kijken, anders doen.

Het kwartje valt. Woonprogramma’s zijn al geruime tijd niet van het beeldscherm weg te denken. Opvalt dat interieurarchitecten de woonkamer graag doortrekken in de tuin.

Luuk! Stel je eens voor dat we dat concept eens doorzetten. We creëren een ”workout”. Een plek om buiten te werken naast het kantoor. We stretchen het kantoor. We voorzien de workout van stroom-aansluiting en wifi. En ja, een koffievoorziening mag natuurlijk niet ontbreken.

Zie je het voor je Luuk? Werken in de luwte van een paar dicht bebladerde bomen. Niks stress. Een plek die creativiteit stimuleert, ontmoetingen met anderen makkelijk maakt. Ja, dat geeft het begrip front- en backoffice toch wel een heel andere lading. Geen wagenpark, maar werkpark. Vrolijk gestemd door onze denkbeelden gaan we vervolgens ieder ons weegs.

Thuisgekomen filosofeer ik onder het genot van een mooi glas Valpolicella ripasso nog even door. Wie wij zijn bepaalt hoe wij naar de buitenwereld kijken. Is het zo dat, zoals Dom Hans van der Laan (architect) beweerde, de mens behoefte heeft aan duidelijke afbakening van die ruimte? Of is een afgebakende ruimte juist een makkelijk toevluchtsoord om aan het onbekende te ontkomen? En is het feitelijk letterlijk in je schulp kruipen. Is dat het geval bij overheidsgebouwen? Het is merkwaardig dat de publieke organen meestal helemaal niet zo toegankelijk zijn. Het blijven forten waar de ambtenaren zich opsluiten. Veilig, achter het bureau.

Nee, dames en heren. Beleid maak je niet binnen maar buiten. Parkeerbeleid op de parkeerplaats, participatiebeleid bij de participanten, verkeersbeleid …..

Een workout is een mogelijke tussenstap. Een echte werkplek met een publieke functie. Een plek waar de ambtenaar proactief de burger ontmoet. Jaha, niet alleen de burger moet participeren, maar ook de overheid.
Kom mensen work out! Even stretchen.

Fred Bransen is als programmamanager ruimtelijke kwaliteit/consultant werkzaam bij adviesbureau Tauw.

© ROM B.V.

ROmagazine - Weblogs. http://www.romagazine.nl
Template Joomla 1.7 by Wordpress themes free