Europa!

Afdrukken
woensdag 23 april 2014
Eind volgende maand mogen we naar de stembus om een nieuw Europees Parlement te kiezen. Naar verwachting zal de opkomst laag zijn en zal de euroscepsis in de uitslag sterker dan ooit doorklinken.

De verleiding is groot om een analyse los te laten op de vraag waarom dat gebeurt of om eens fel van leer te trekken tegen het gemakkelijke populistische gezwets van vooraanstaande politici. Dat doe ik niet. De uitspraak: Europa is er, en de EU moet, volstaat!

Ik mag dan misschien bevoorrecht zijn omdat ik regelmatig in het buitenland verblijf, in Europa en daarbuiten, en omdat ik als geograaf gewend ben de wereld in een breder perspectief te zien, en per definitie geïnteresseerd ben in wat er in de wereld om ons heen gebeurt. En mogelijk speelt mee dat ik een paar keer per jaar in de burelen van de Europese instituties rondloop. Dat zal ook wel tot een afwijkende visie leiden.

Toch ben ik telkens weer verbijsterd over het gebrek aan kennis en inzicht, zelfs bij mensen in de professionele RO-praktijk, over de zegeningen van de Europese Unie. En nog meer over het onvermogen van onze politici, de voorstanders van een Europees beleid wel te verstaan, om dat helder aan een breed publiek uit te leggen.

Europa is te belangrijk om aan de eurosceptici over te laten, las ik nog niet zo lang geleden in een van onze landelijke dagbladen uit de mond van een van die politici. In het betreffende artikel werd stilgestaan bij de afkeer die politici hebben bij onderwerpen die niet populair zijn. Nou, denk ik dan, daar hebben ze dan zelf sterk aan bijgedragen door niet goed genoeg uit te leggen waarom we in Europees verband samenwerken.

En het ligt zo voor de hand om de zegeningen van Europese samenwerking te tellen. Neem het milieubeleid. Natuurlijk kun je dat als summum van Europese bemoeizucht zien. Daar moet je dan wel bij vertellen dat we zelf de grondslag voor dat milieubeleid hebben gelegd met onze succesvolle nationale milieuplannen, met onder meer de managementmodellen en het bron- en effectbeleid, de MER’s, het denken in termen van normen.

Maar hoe had het er voorgestaan met onze leefkwaliteit als de Europese Unie niet met harde grenzen aan de toegestane vervuiling in bodem, water en lucht was gekomen. Als ze niet met de industrie- en landbouwvertegenwoordigers, de energieproducenten, de autofabrikanten om de tafel was gaan zitten om namens ons allemaal administratieve en technische innovaties door te voren ten gunste van de veiligheid en de leefkwaliteit?

Hoe was de situatie geweest in de meest waardevolle en kwetsbare natuurgebieden zonder het Natura 2000-beleid en de Europese voorlopers daarvan? Hoe had Rotterdam z’n concurrentiepositie kunnen versterken als we in Europa niet stap voor stap gezorgd hadden voor een gelijk speelveld? Had die regio zich dan tegelijkertijd als schoonste havengebied kunnen profileren en de stevige ambities kunnen etaleren op het gebied van duurzaamheid? Nog even los van de kennisnetwerken die zijn gevormd met Europese steden en regio’s om ervaringen uit te wisselen en kennis te delen op tal van dossiers. Los van de grensoverschrijdende samenwerking op vele concrete terreinen, van waterveiligheid tot hulpverlening. En om het maar even niet te hebben over die interne markt, de zegen van het zaken doen zonder nationale beperkende maatregelen, het vrije betalingsverkeer, het gemak van één munt. Niet over het grenzeloze werken en studeren. En ook niet over de uniforme regels voor telecommunicatie, productinformatie en kwaliteitsstandaarden.

Er zijn duizend-en-één verhalen te vertellen over het nut van Europese samenwerking. Waarom vertellen we die niet of willen we die misschien niet horen?

Marcel Bayer
hoofdredacteur ROm

De opkomst van ruimtelijke ordening in een kenniseconomie: Zürich en Amsterdam

Afdrukken
woensdag 23 april 2014
Het heeft een tijdje geduurd voordat mijn door media en communis opinio gehersenspoelde anti-Zwitserse gemoed ontvankelijk werd voor de schoonheid van en beschaving in die Schweiz. Ik verheug me elke keer weer op een bezoek aan dat land, zo ook op het derde bezoek aan Zürich. En dan ook nog eens officieel als medewerker van DRO, in het kader van het symposium ‘Strategien und Planungsinstrumente in polyzentrischen Stadtregionen’.

Een aantal meereizende collega’s kenden Zürich eigenlijk niet. Zo’n saaie Zwitserse stad. Een soort Wenen, ook al zo saai (???). Niets is minder maar. Dat zeggen niet alleen mijn indrukken van beide steden, maar ook ‘de statistieken’. Zo neemt in de Benchmarking Global Cities Competitiveness van The Economist Zürich de zevende plaats in (eerste is New York, en Amsterdam staat niet onverdienstelijk op een 17de plaats). Als attractiefste steden om in te wonen wisselen Zürich, Wenen en Toronto elk jaar stuivertje, en niet alleen vanwege die supersterke Zwitserse frank is Zürich een van de duurste steden van de wereld. Bovendien, Zürich is ook een belangrijke leverancier van museumdirecteuren in Amsterdam. En dat voor een stad van amper een half miljoen inwoners, waarvan dan weer eenderde van hoogopgeleide buitenlandse afkomst is (170 verschillende nationaliteiten).

Amsterdam en Zürich lijken veel op elkaar. Sterk groeiende steden (zowel absoluut als relatief verslaat Zürich hierin Amsterdam overigens) met een multiculturele achtergrond. Ook de huidige opgave is vrijwel identiek: hoe gaan we die groei accommoderen? En dan wordt het spannend. Want waar Zürich wat betreft planning vooral afhankelijk is van het kantonnale beleid (een Kanton is een übermachtige provincie, terwijl de nationale Bund beperkte ruimtelijke bevoegdheden heeft), is de Amsterdamse beleidskracht veel ruimer. Maar ook de letterlijke ruimte is in Amsterdam groter. Zwitserland is een land met bergen en dalen, en dus beperkte uitbreidingsmogelijkheden voor de steden. Daarom kent het land ook geen grote stadsuitbreidingsgebieden als bijvoorbeeld de Westelijke Tuinsteden.

Heel speciaal zijn de eigendomsverhoudingen. Kennen wij in Nederland de mogelijkheid tot onteigeningsprocedures (en heeft Amsterdam ook veel grond in eigendom), in Helvetica en dus ook in Zürich geldt: ‘Eigentum ist Eigentum! Punkt!!’. Dat werkt enorm vertragend en problematiserend in stadsontwikkeling.

Interessant is ook in Zürich de hoogbouwdiscussie. Ik vroeg aan mijn tafelgenoot waarom er geen metro in zijn stad is. ‘Omdat er geen hoogbouw is’. En waarom is dié er niet? Een grijnzend antwoord: “Weil es keinen U-bahn gibt”. Verrassend was zijn antwoord dat als je nu geen metro hebt, het onmogelijk is om nog een netwerk te bouwen. De bevolking is altijd tegen. Zo ook in Zürich, waar een referendum uitwees de men geen woontorens in de stad wil. Een metro had je honderd jaar geleden moeten bouwen, was zijn mening. Maar Zwitserland kent wel een zeer fijnmazig spoorwegnet dat ook in de stad zelf is uitgerold. Geen boemeltjes, maar geruisloze, comfortabele en pünktliche treinen, die vele stations in de stad zelf aandoen. Stations zijn daar ook volwaardige urban nodes. Mogelijkheden voor bijvoorbeeld Muiderpoortstation?

Doen die Zwitsers het nou beter dan die wij? Ben je mal. Evenmin als andersom. De druk op deze prachtige steden is zo groot dat veel (nieuwe) inwoners en bedrijven hun weg in de stad wel vinden. Dat ze daarbij een welwillende overheid ontmoeten, is wel belangrijk. En dat gaat in beide steden met vallen en opstaan.

In de workshop waarin ik een inleiding mocht geven, ‘Vielfalt in polyzentrischen Stadtregionen’, was het thema hoe ‘achtergebleven’ en problematische gebieden de aansluiting bij de succesvolle stad konden realiseren. Mijn Zwitserse collega en ik hielden onze inleiding over volstrekt verschillende gebieden, de Westelijke Tuinsteden en de autonome grensgemeente Opfikon. De eerste een modernistische uitbreidingswijk, de tweede een uit zijn kluiten gewassen dorpje tussen Zürich en de luchthaven, met (voor Zwitserse begrippen) flink wat migranten. Maar hoe verschillend ook, de oplossing was verbluffend eenduidig: stadsstraten. Inclusief de 180-graden momenten. Om het maar eens hoogdravend te stellen, stadsstraten lijken een belangrijk instrument in de ontwikkeling van wereldsteden te worden. Was ik al verbaasd over de visie van mijn collega omtrent de Schaffhauserstraβe , hij was dat niet minder over de Jan Evertsenstraat. Architect en stedenbouwkundige Kees Christiaanse, een van de initiatiefnemers van het symposium, heeft voorgesteld de beide trajecten te monitoren.

Zürich en Amsterdam. De steden kennen sterk verschillende manieren van ruimtelijke ordening, hebben dezelfde problemen en komen uiteindelijk tot een zelfde soort oplossingen. Doet ruimtelijke ordening er dan nog wel toe? Jazeker. En meer dan ooit. Waar het uiteindelijk om gaat in een stedelijk gerichte kenniseconomie is de aantrekkelijkheid van plekken. Dat vereist microscopische planologische en stedenbouwkundige analyses van de sociaalruimtelijke potenties van plekken. En of die potenties nou ‘bottom up’ of ‘top down’ worden aangedragen, doet er niet zoveel toe. Als de oplossingen maar niet ‘bottom up’ of ‘top down’ worden afgeschermd!

Jos Gadet
Hoofdplanoloog, Dienst Ruimtelijke Ordening gemeente Amsterdam

Structuurvisie Windenergie op Land vastgesteld

Afdrukken
woensdag 16 april 2014
Op 11 plekken in Nederland komt een groot windturbinepark op land. Het kabinet heeft deze gebieden nu definitief vastgelegd in de Structuurvisie Wind op Land. De structuurvisie is op 28 maart jl. vastgesteld en aangeboden aan de Tweede Kamer. De Structuurvisie Windenergie op Land (SvWOL) beoogt grootschalige windprojecten te concentreren in gebieden die daarvoor het meest geschikt zijn. Op die manier wordt de landschappelijke versnippering en verstoring beperkt...

> http://bloggebiedsontwikkeling.nl/blog/structuurvisie-windenergie-op-land-vastgesteld/

Dansen in de visafslag

Afdrukken
woensdag 16 april 2014
De Zuiderkerk in Assen, de visafslag in Scheveningen en steenfabriek de Werklust in Losser: voorbeelden van ‘leegstaande’ monumenten die vorig jaar subsidie ontvingen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De subsidie is bedoeld om de mogelijkheden voor een nieuwe bestemming te onderzoeken, zodat de gebouwen niet in verval raken.

Naast kerken en industriële gebouwen gaat het vooral om scholen, boerderijen en buitenplaatsen. Behalve beschermde objecten betreft het ook gebouwen zonder monumentenstatus, die volgens de gemeente wel een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben.

Lees meer...

Groen

Afdrukken
woensdag 16 april 2014
De vraag of er geld is te verdienen met natuur, zodanig dat daar beheer en onderhoud uit kan worden betaald, is heel Hollands. Toch is het een hele legitieme vraag. Om daar als samenleving een weloverwogen antwoord op te kunnen geven, is het noodzakelijk om met open vizier het debat aan te gaan.

Recent onderzoek naar binnen- en buitenlandse voorbeelden laat zien dat het kan, dat er interessante mogelijkheden zijn voor combinaties van natuur en recreatie, natuur en horeca, natuur en woningbouw. Ja, zelfs natuur en boeren kunnen samengaan. Natuurlijk zijn er grenzen. De meest harde liggen rond de kwetsbare en waardevolle natuurgebieden, op de kaart gemarkeerd als Natura 2000.

Te lang is de discussie over mogelijk dubbelgebruik van natuurgebieden buiten de Natura 2000-gebieden gekaapt door de terreinbeheerders en milieu- en natuurorganisatie. Het was vrijwel onmogelijk om er een open en eerlijk gesprek over te voeren. Met een goed gevulde portemonnee aan belastingcentjes konden de grote beheerders duizenden hectaren met een offensieve strategie landbouwgrond aankopen voor natuur- en landschapsontwikkeling.

Op veel plekken hard nodig om de diversiteit aan flora en fauna te versterken en karakteristieke landschappelijke elementen terug te brengen. Maar ook op veel plekken volstrekt onnodig en overdreven beperkend voor verdere agrarische ontwikkeling.

Met de nieuwe wind die nu waait over de akkers en weilanden, over heidevelden en langs boszomen – allemaal trouwens het resultaat van menselijk ingrijpen – liggen er nieuwe kansen. De bezuinigingen op de natuurbegroting hebben de beheerders en beschermers van natuur in het defensief gedrongen. Met de PAS in aantocht moeten ze onderhandelen met de boeren over waar de natuur en waar de agrarische activiteiten ruimte krijgen. Overijssel is een interessante test voor de beoogde gebiedsgerichte aanpak. De uitvoering van het akkoord Samen werkt Beter is daar ter hand genomen, maar er zit veel oud zeer en ook nog veel wederzijds wantrouwen over de intenties. Een ding is wel zeker: het denken dat je met in beton gegoten milieuregels de natuur kunt stimuleren, ligt definitief achter ons.

Marcel Bayer is hoofdredacteur van ROm en docent journalistiek

Kabinet pimpt milieubeleid

Afdrukken
woensdag 09 april 2014
“Het Nederlandse milieubeleid is na 25 jaar aan een drastische herziening toe. Wissels moeten om. Dat komt omdat de problematiek van vandaag de dag van een heel andere orde is dan de traditionele milieuproblemen van bijvoorbeeld bodem-, water- en luchtkwaliteit.” Dat schreef staatssecretaris Mansveld van Milieu 10 maart aan de Tweede Kamer. De tekst heeft een hoog ‘het moet anders’ gehalte, zonder echt concreet te worden.

Maandag 10 maart stuurde staatssecretaris Wilma Mansveld van Infrastructuur en Milieu een brief aan de Tweede Kamer, waarin zij haar plannen uiteenzet voor de modernisering van het milieubeleid. Zonder dat de meeste Kamerleden dat waarschijnlijk beseffen, is het precies 25 jaar geleden dat het eerste Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) verscheen. Vraag is hoe het allemaal begon, en wat er nu zo nieuw is aan Mansvelds beleid.

Onheilsboodschap
Het eerste NMP van 25 jaar geleden was wat we een ‘strategisch beleidsplan’ noemden en richtte zich op de lange termijn van 1990 tot 2010. Het gaf de hoofdlijnen van het beleid weer dat een ‘duurzame ontwikkeling’ nastreefde. Het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ was overgenomen uit VN-rapport ‘Our Common Future’ van de Commissie Brundtland uit 1987. Een rapport dat samen met ‘Zorgen voor morgen’ van het RIVM uit 1988 (onze eerste nationale milieuverkenning), cruciaal was voor de politisering van het milieuvraagstuk.

Beide rapporten toonden niet alleen de urgentie van de milieuproblematiek aan, maar vooral ook de samenhang ervan met sociaal-economische ontwikkelingen. Kortom, de drie-eenheid people, planet, profit. Ze droegen bovendien bij aan het besef dat je milieuproblemen niet kunt afwentelen op andere gebieden of op toekomstige generaties. Elke generatie, aldus het NMP, diende in beginsel een goede milieukwaliteit achter te laten en geen negatieve ‘milieu-erfenis’. Wat dat betreft is er in al die jaren niet zo veel veranderd.

Verantwoordelijkheid
In 1989 werd voor het eerst de zorg uitgesproken over de gewijzigde schaal van de milieuproblematiek. Tot die tijd werden milieuproblemen, zoals de vervuiling van bodem, water en lucht vooral gezien als problemen van lokale of eventueel regionale aard. Geconstateerd werd dat de problemen steeds grootschaliger waren en dat in toenemende mate mondiale milieuproblemen een rol speelden. Denk bijvoorbeeld aan de verandering van het klimaat, de afbraak van de ozonlaag en het broeikaseffect. Afbraak van de ozonlaag is dan misschien effectief bestreden, maar wat het broeikaseffect betreft, is er niet zo veel veranderd.

Misschien nog belangrijker was de ‘vermaatschappelijking’ van de milieuproblematiek en de ‘verinnerlijking van milieuverantwoordelijkheden’ waarover in het NMP voor het eerst werd gesproken. Milieu en duurzaamheid waren niet langer alleen de verantwoordelijkheid van de overheid. Ook maatschappelijke organisaties en instellingen, burgers en bedrijven zouden zich van milieuaspecten bewust moeten zijn. En wel zodanig dat zij “bereid zijn dat te verdisconteren in hun handelen”.

Duurzaam doen
Wat dat laatste betreft: bij de vorige maand afgekondigde vernieuwing van het milieubeleid, springt misschien wel het meest in het oog dat het kabinet veel meer gebruik wil maken “van de energie die vele partijen in ons land hebben als het gaat om milieu en duurzaamheid”. Volgens het kabinet bruist het in ons land van de duurzame initiatieven, klein en groot. Daarmee lijkt het erop dat niet maatschappelijke organisaties, burgers en bedrijven om inspiratie verlegen zitten, maar de overheid zelf.

Des te opvallender is het dat voor tips, adviezen en inspiratie het kabinet de website DuurzaamDoen.nl heeft gelanceerd. “Bedoeld om te laten zien dat ‘duurzaam doen’ aantrekkelijk en eigentijds is en concrete kansen biedt in de praktijk van alle dag”, aldus het ministerie van Infrastructuur & Milieu. Een eerste verkenning van de site leert echter dat met onderwerpen als afval recyclen, energie besparen, slim reizen, bewust eten en duurzaam kopen er in 25 jaar nauwelijks iets veranderd lijkt te zijn. Is dat een kwestie van oude wijn in nieuwe zakken of van frappez toujours? Waarschijnlijk een combinatie van beide, waardoor er eerder sprake is van gepimpt dan van gemoderniseerd milieubeleid. Maar ook daar is waarschijnlijk niks mis mee. Wie immers een circulaire economie voorstaat, kan ook niet tegen recycling van beleid zijn. Of er daarbij sprake is van upcycling, dat zal de tijd moeten leren.

Bas van de Griendt is als manager MVO en Duurzaam Ontwikkelen verantwoordelijk voor de duurzaamheidsagenda van Bouwfonds Ontwikkeling.

Voorjaar 2014! Inspiratie voor nieuwe Colleges

Afdrukken
woensdag 09 april 2014
De komende bestuursperiode zit vol uitdagingen. De voorbije bestuursperiode kenmerkte zich door behoedzaamheid en reorganisaties. Het ziet er naar uit dat er op de agenda’s meer ruimte komt voor kansen en initiatieven. Of is de wens de vader van de gedachte? Nee, na de tropenjaren van de afzwaaiende bestuurders moet het voor de nieuwe generatie bestuurders wel weer leuker worden.

Om de gemeenten te faciliteren bij het opstellen van collegeprogramma’s heeft de Commissie Derksen op verzoek van de VNG trends onderzocht. Ze benoemt speerpunten voor gemeentelijk beleid. Een brede visie op de staat van het land, meer in het bijzonder de staat van de stad.

Steden hebben de toekomst. Groei is daarbij niet vanzelfsprekend. Perspectieven voor onze steden en regio’s lopen scherp uiteen. Actief inspelen op de lokale en regionale behoeften en kansen vereist maatwerk. Benadrukt wordt het belang ruimte te bieden aan initiatief van burgers en bedrijven. En om in programma’s verbindingen tussen beleidssectoren te maken.

De ruimtelijk economische agenda van de Commissie is verfrissend. - Er wordt, voor zover dit nog niet is gebeurd, uiteraard voor gepleit om voorjaarsschoonmaak te houden; snel afwaarderen van grondposities, afbouwen van publiek-private samenwerking als er geen duidelijke meerwaarde is.... maar ook - Inzetten op herstructurering en transformatie in de gebouwde omgeving. Grondbeleid richten op ruimtelijke kwaliteit, samenhang en leefbaarheid in de stad. Een actieve rol voor gemeenten in woningbouw, juist nu corporaties in hun investeringsmogelijkheden zijn beperkt. Nieuwe publiek-private arrangementen ontwikkelen. Een gemeente die ook risico wil dragen om beleid te realiseren.

Dus niet achter de geraniums gaan zitten. Ik hoop van harte dat deze overwegingen worden betrokken bij het opstellen van de nieuwe collegeprogramma’s. De ommezwaai in het grondbeleid – ingegeven door vastgelopen contracten en afboekingen op grondposities – is bij heel wat gemeenten doorgeschoten. ‘Actief grondbeleid is passé. We laten het voortaan over aan de markt’ was in voorbije jaren bestuurlijk bon-ton.

Ook bij de meer faciliterend ingestelde gemeenten is strategische visie, creativiteit en een verantwoorde risicobereidheid gewenst. Ik hoop dat het, zoals de narcissen in dit vroege voorjaar, initiatiefrijke bestuurders en projecten gegund is snel boven het maaiveld uit te komen.

Paul van Dijk
Partner Akro Consult

“Plan”

Afdrukken
woensdag 09 april 2014
Een groot deel van Annie M. G. Schmidt's Pluk van de Petteflet handelt over de poging van het jongetje Pluk en zijn dierenvriendjes om de zogenaamde Torteltuin te redden. Dit verwilderde stukje park moet plaatsmaken voor een betonnen tegelpleintje met bloemenperk. De Parkmeester, een karikaturale planner, zit dagenlang in zijn keet te tekenen aan een streng geometrisch ontwerp: het "plan". Uiteindelijk weet Pluk de sloop van de Torteltuin te voorkomen door de volwassenen uit de stad te drogeren met Hasselbramen. Schmidt beschrijft hoe het maatschappelijk leven vervolgens abrupt tot stilstand komt omdat de grote mensen zich onder invloed van de Hasselbramen als onverantwoordelijke kinderen gaan gedragen. De boodschapvan Pluk van de Petteflet is tweeledig: drugs zijn leuk, maar matig uw gebruik en het "plan" is een instrument van satan.

Uiteraard moet de invloed van individuele kunstwerken op de nationale cultuur niet overschat worden, maar de bijna pathetische afkeer van Nederlanders voor plannen moet toch ergens vandaan komen. Zelfs in ons eigen RO-wereldje is het woord plan besmet geraakt. Je hoort het zelden uitspreken zonder de toevoeging ‘blauwdruk’. Daarmee doemt voor ieders geestesoog direct een beeld op van woeste horden Parkmeesters die zwaaiend met hun "plan" een eind maken aan sympathiek particulier initiatief. Dat diezelfde blauwdrukken ons beschermen tegen de beukende Noordzee en het wassende water van Rijn en Maas vergeten wij daarbij wat al te gemakkelijk.

De weerzin tegen plannen wortelt uiteraard in allerlei volstrekt disfunctionerende plannen uit de vorige eeuw. Vijfjarenplannen, Schlieffenplannen, Plannen voor de Arbeid, Algemeen Uitbreidingsplannen, et cetera. Al deze plannen maten zich door het hanteren van een gewichtig vocabulaire een schijn van wetenschappelijkheid aan. In werkelijkheid hadden ze met wetenschap niets uit te staan. Sommigen misten iedere grond in de realiteit, anderen beperkten zich tot een zeer klein deel daarvan. De resultaten waren soms teleurstellend en vaak ronduit rampzalig. Uiteindelijk hebben zowel de wetenschap als het concept planning behoorlijke reputatieschade geleden. Dus daar zitten we als ruimtelijke planners met onze goede bedoelingen. Weg met ons!

Maar de karikatuur die in veel discussies van planning wordt geschetst is onjuist. En schadelijk. Wanneer ik kijk naar mijn collega's bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van de Gemeente Amsterdam zie ik geen verbeten krabbelende Parkmeesters. Ik zie geen plannen voor tegelpleintjes waar niemand op zit te wachten. Wat ik wel zie zijn tweehonderd ontwerpers en planologen die trachten de werking van een complexe stad te doorgronden. Niet door achter hun bureau ingewikkelde theorieën te bedenken. Allerminst. Uitgangspunt is juist de intuïtieve kennis van de stad, opgedaan als bewoner en gebruiker van Amsterdam. Natuurlijk wordt die ook onderbouwd door nadere analyses en (ontwerpend) onderzoek. Heel vaak liggen aan die analyses en onderzoeken big data ten grondslag, die je zou kunnen scharen onder de ‘wisdom of crowds'. Het beschikbaar komen van nieuwe vormen van big data over bijvoorbeeld passantenstromen, reizigersbewegingen en consumptiegedrag maakt dat het eenvoudiger wordt om de vinger aan de pols van de samenleving te houden.

Al die kennis van de stad en de samenleving maakt mijn collega's tot experts die in dialoog met Amsterdam en haar bestuur agenderend aan ruimtelijke planning doen. En dat laatste is ontzettend belangrijk. De groei van de stad vraagt namelijk om visie en richting. Een paar voorbeelden. 150.000 nieuwe inwoners en honderdduizenden extra bezoekers leiden tot een grote druk op de openbare ruimte. Onze ontwerpers bestuderen nieuwe manieren om schaarse ruimte in straten te verdelen en hoe dit vorm te geven. We moeten bestaande voorzieningen en infrastructuur slimmer benutten. Onze planologen werken aan een parkenvisie en denken na over de ruimtelijke ontwikkeling rond OV-knooppunten. Amsterdam dient tot 2040 70.000 woningen toe te voegen binnen de bestaande stad. Ontwerpers en planologen nemen gezamenlijk het initiatief tot het opschalen van het stedenbouwkundig ontwerp om zo de ruimtelijke kwaliteit van stad naar de toekomst toe te waarborgen. Dit alles heeft met blauwdrukplanning niets te maken. Wel met als overheid je verantwoordelijkheid nemen.

Dus vergeet de krimp- en crisisretoriek uit de rest van Nederland. Amsterdam is een groeimetropool met een enorme ruimtelijke ordeningsopgave. Burgers, bedrijven en openbaar bestuur hebben elkaar daarbij nodig, moeten hun eigen rol pakken. Een stad die leeft, bouwt aan haar toekomst!

Errik Buursink

Lansingerland

Afdrukken
woensdag 02 april 2014
Onlangs was ik voor het eerst in de fusiegemeente Lansingerland. De naam zal bij velen vooral bekend zijn vanwege het recordverlies op de grondexploitatie. Dat de bijbehorende plaatsnamen Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk zijn, wist ik zelf eerlijk gezegd ook niet. Dit is het hart van de Zuidvleugel, de Haagse en Rotterdamse regio die in ruimtelijk en bestuurlijk opzicht steeds verder samensmelt. Een druk tussengebied. Kloeke nieuwbouwwijken met niet alleen rijtjeshuizen maar ook verrassend veel appartementen, in die typische Vinex-beeldtaal (iemand moet ooit hebben bedacht dat de kleurcombinatie okergeel en terracotta symbool staat voor kwaliteit). Veel kassen, met hier en daar nog een zichtbaar overblijfsel van het oude tuinderslint. En een gloednieuw, fraai modernistisch gemeentehuis waarvoor Oscar Niemeyer zich niet had hoeven schamen.

Lees meer...

Multifunctioneel

Afdrukken
woensdag 02 april 2014
Een woensdagmiddag op de bovenste verdieping van het Goudse stadhuis; een afgeladen bijeenkomst van iedereen die er toe in de detailhandelsbranche en vertegenwoordigers van verschillende gemeenten. Ze buigen zich over de vraag hoe om te gaan met de veranderingen in het winkellandschap door veranderd koopgedrag en leegstand. De boodschap is helder: er moet wat gebeuren, niets doen is geen optie. In een opmerkelijke eensgezindheid worden lessen geleerd en conclusies getrokken. Bijvoorbeeld dat de groei van het online a shoppen verder zal gaan, maar niet zo hard als sommigen de afgelopen jaren riepen. Er is nogal een verschil in dat opzicht tussen de verschillende branches. Toch zal het fysiek winkelen over de hele linie onverminderd aantrekkelijk blijven, blijkt uit recent onderzoek. Zelfs bij de overgrote meerderheid van de jongere kopers.

Lees meer...

© ROM B.V.

ROmagazine - Weblogs. http://www.romagazine.nl
Template Joomla 1.7 by Wordpress themes free