Stadse agenda’s

Afdrukken
woensdag 16 juli 2014
De Kunsthal en het Natuurhistorisch Museum Rotterdam staan deze zomer in het teken van de stad, in het kader van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR) Urban by Nature met een grootse expositie, tal van lezingen en debatten. Hoe omgaan met de snelle verstedelijking op wereldschaal en de steden toekomstbestendig maken, zijn eigenlijk de hoofdvragen van deze intellectuele oefening. De indrukwekkende expositie in de Kunsthal brengt in beeld hoe steden knooppunten zijn van menselijke interactie met de natuur.

De opvatting dat de stad, de bij uitstek door de mens gecreëerde omgeving, tegenover de natuur staat, is achterhaald. We moeten de stad gaan zien als een levend organisme dat groeit en bloeit door enorme hoeveelheden energie en natuurlijke hulpbronnen tot zich te nemen en dat afval- en afbraakproducten afscheidt. Aan de hand van een tiental stofstromen als energie, voedsel, water, afval, lucht en bouwmateriaal wordt getoond wat de stad aan natuurlijke producten gebruikt en verbruikt, en wat de stad aan producten levert. Meteen is duidelijk dat dit binnen niet al te lange tijd ophoudt bij het huidige tempo van de verstedelijking en de wijze waarop die plaatsvindt. Dan zijn die energiebronnen en grondstoffen uitgeput of zo duur geworden dat de stofwisseling vanzelf stopt, als het stijgende water door de klimaatverandering dan al niet tot onze lippen staat. Einde verhaal dus.

Meest fascinerend vind ik zelf de illustraties van projecten, van Rotterdam tot San Francisco en van Havana tot Helsinki, waar overheden, bedrijven en burgers proberen de toenemende kloof te dichten tussen wat de stad neemt en geeft. Groei en natuur blijken op een slimme en duurzame manier heel goed te verweven en dan blijkt de stad ineens wel toekomst te hebben.

In hun essay Een paradigma voor slimme verstedelijking in ROmagazine 6 (juni 2014) zetten Maarten Hajer en Anton van Hoorn, resp directeur en senior onderzoeker bij het PBL, uiteen wat de uitdagingen en kansen zijn. Steden zijn als knooppunten van de stofstromen, maar ook van innovatie, creativiteit en bestuurskracht dé plek om onze samenleving te verduurzamen. Het moet en het kan, met een overtuigende visie en een goed plan.

Uit de IABR-lezingen en -debatten in juni en juli over de vraag wat de reikwijdte van die visie zou moeten zijn, welke ingrediënten daar in moeten zitten en wie daaraan zou moeten werken, kwam vervolgens nog niet heel veel concreets naar voren. Laat staan dat er al een begin van een plan was te trekken. Wel lopen er twee belangrijke initiatieven, die het debat verder op gang kunnen brengen: het Jaar van de Ruimte 2015 en Agenda Stad in 2016, als Nederland voorzitter van de EU is. Goede initiatieven om weer te komen tot een visie op onze ruimtelijke ordening en vooral de rol van de stad daarin en om de opgaven die er liggen ook in samenhang aan te pakken. Dat laatste is hard nodig. Wat tijdens de IABR-bijeenkomsten opviel, was dat het debat nog voornamelijk binnen de sectoren – vooral die van stedenbouw en architectuur - en op het niveau van de rijksoverheid en de wetenschap plaatsvindt.

Het zijn tot nu toe onderzoekers, bevlogen rijksambtenaren, stedenbouwkundige adviseurs en architecten die meedoen. Slechts enkele vertegenwoordigers van Nederlandse steden lieten zich zien en de scheiding der geesten tussen duurzaam, sociaal, economie en ruimtelijk is nog groot, ondanks alle mooie intenties voor integraliteit in het beleid. Dat moet echt veranderen, wil er een serieuze en gedragen aanpak van de grond komen.

U kunt overigens nog tot en met 24 augustus naar Urban bij Nature, Kunsthal en Natuurhistorisch Museum, Rotterdam. www.iabr.nl

Marcel Bayer
hoofdredacteur Rom

Amsterdam zien, Holland ontdekken, Underground ondergaan: IBA Parkstad moet een Nederlandse Internationale Bauausstellung worden

Afdrukken
woensdag 16 juli 2014
IBA Emscherpark (1990 – 1999) heeft een overweldigende indruk op me gemaakt. Dit heeft zeker te maken met mijn wortels in het glooiende Limburgse landschap en zijn mijnbouwverleden. Maar bovenal, dit indrukwekkende cultureel, architectonisch, ecologisch en economisch revitaliseringproject in het Ruhrgebied, krimpregio avant la lettre, kantelde mijn perceptie van dit brongebied van het West-Europese Wirtschaftswunder. Na mijn eerste bezoek midden jaren ’90 heb ik deze plek elk jaar meerdere malen bezocht. Daarna heb ik ook ander IBA’s gevolgd en bekeken.

Ik raakte dan ook in vervoering toen ik hoorde van IBA Parkstad (de eerste IBA buiten Duitsland) die de krimpende Oostelijke Mijnstreek, motor van de Wederopbouw, weer met trots moet gaan vervullen. Ook vanwege mijn betrokkenheid bij ‘Amsterdam Verantwoordelijke Hoofdstad’, waarin de hoofdstad met Sluis, Delfzijl en Heerlen de problematiek van krimpregio’s analyseert en naar mogelijke interventies zoekt, reisde ik vrijdag 27 juni af naar Kerkrade om de opening van IBA Parkstad bij te wonen. Die was in een kerk buiten dienst in de wijk Heilust, waarmee direct duidelijk werd gemaakt waarom een IBA in dit deel van Nederland nodig is: de situatie is er ruimtelijk, economisch en sociaal vrij hopeloos. Een inspirerend betoog van minister Frans Timmermans, geboortige Limburger. Warme tromboneklanken uit de traditierijke Limburgse fanfarecultuur. De door mij bewonderde Jo Coenen, ook een Limburger, als directeur. Prachtig!

Maar hier wordt ook een eerste valkuil zichtbaar: de Limburgse geslotenheid. IBA Parkstad is weliswaar in Limburg, maar niet voor de Limburgers alleen. Gooi op zijn minst de poorten naar Luik, Hasselt en Aken open. Beter nog, nodig internationale architecten of planners uit. Hou het niet klein, maak het groots! Internationale Bauausstellung. Ook uit Detroit en Taipei valt veel kennis en creativiteit te halen.

Een tweede valkuil is de afwezigheid van industrieel erfgoed. In Limburg zijn de industriële complexen direct na de mijnsluiting ab sofort gesloopt. Geen te transformeren imponerende complexen als Zeche Zollverein in Essen of de mijnen Waterschei en Winterslag in Genk. Een miscalculatie van de eerste orde, al heeft het geen zin daarover te blijven mekkeren.

In feite is IBA Emscherpark achteraf gezien ook wel een makkie geweest. Leer van die Limburgse blunders, dachten de geniën Karl Ganser (architect) en Christoph Zöpel (bestuurder), en laat vooralsnog al die complexen staan. De renaturalisatie van de rivier de Emscher was een pars pro toto voor de herstructurering van de wegroestende industriecomplexen. Vele nieuwe (culturele en technologische) ideeën en vooral heel veel geld hebben geleid tot mondiale parels als Zeche Zollverein en Landschaftspark Duisburg Nord. Additionele vergroening van deze zwarte vlek in Duitsland deed de rest.

IBA Parkstad heeft het een stuk moeilijker. Geen industrieel erfgoed, obligate vergroening met nota bene het concurrerende groene cultuurlandschap Mergelland aangrenzend, veel minder geld, en veel minder inwoners. Dan is het niet zo gek dat bij de kick off geen visie werd gepresenteerd. Exemplarisch was de inaugurale rede van directeur Jo Coenen: toch nog net iets te onsamenhangend en zonder duidelijke richting. De Tilburgse hoogleraar en Maastrichtenaar Hans Mommaas, vrijetijdsexpert par excellence en ambassadeur van IBA Parkstad, wist het ook niet precies. Een enkele mijn openstellen zoals in het aangrenzende Waalse Blegny schijnt onmogelijk omdat de Nederlandse mijnen allemaal zijn volgelopen met water. Zou het werkelijk?

Dus wat te doen? In elk geval geen ‘vergroening’ als Leitmotiv. Ophouden! Nog nooit heeft vergroening alléén een plek in misère er bovenop geholpen. Bovendien, zo mooi als het Mergelland wordt Parkstad nooit meer.

Wat is het comparatieve voordeel van Parkstad? Underground! Met deze door de Amsterdamse planologe Margreet Leclercq (eveneens van Limburgse origine) gemunte term slaat zij de spijker op de kop. Met Dutch Underground verwijst ze naar de ondergrondse arbeid in de Nederlandse mijnstreken. De Limburgse mijnbouw is voor Nederland weliswaar uniek, maar niet voor deze Europese regio. Wel uniek is dat er in het landschap nagenoeg niets meer van te herkennen is, in tegenstelling tot het Ruhrgebied en Belgisch Limburg. Verbeeld die ondergrondse historie op maaiveld! Daag kunstenaars, ontwerpers en historici uit deze geschiedenis opnieuw vorm te geven! Met Dutch Underground verwijst Leclercq ook naar de rijke en unieke muziekhistorie van de jaren ’60 en‘ 70 toen de in Brunssum gelegerde Amerikaanse soldaten zorgden voor swing, funk en jazz in de Heerlense cafés. Er ligt in die streken nog steeds een verborgen en in traditionalisme verzakkende muzikale infrastructuur van harmonieën, fanfares en Wereld Muziek Concours. Een (inhoudelijke) revitalisering van deze infrastructuur op nieuwe en steeds weer andere locaties ligt voor de hand.

Leclercqs Dutch Underground verwijst ook naar het voor Nederland en de grensstreek unieke ruige uitgaanscircuit in de Heerlense regio in die tijd, waarbij dat van Amsterdam maar schril afstak. Discotheken als Femina waren beroemd en berucht. Het grote Pinkpop is daarvan een (inmiddels mainstream) gevolg. Ook die infrastructuur kan als katalysator dienen om aan de groeiende behoefte aan festivals met een rauw randje te kunnen voldoen (zie NRC Handelsblad van 11 juli). Juist in Parkstad, het rauwe randje van Nederland bij uitstek. Ruw landschap en veel lege kantoren, winkels, woningen en zelfs buurten. En als er een melting pot in Nederland bestaat dan is dat de Oostelijke Mijnstreek met zijn gemengde en geassimileerde bevolking van voor een groot deel Poolse, Hongaarse, Oekraïense, Duitse en Sloveense origine.

Tenslotte, met underground duidt Leclercq ook waarmee Heerlen en omstreken zich onderscheiden van het zoetere en ‘romantische’ Maastricht. Daarmee flikkert opeens een uniek toeristisch arrangement op: Historisch en mondain Maastricht – Mergelland – Edge City Heerlen

In de Oostelijke Mijnstreek is qua leisure wel het een en ander te doen: een van de grootste indoor skibanen, Mondo Verde en nog zo het een en ander. Maar het zijn solitairen. Ze hangen, net als het landschap, als los zand aan elkaar. Onder het motto Dutch Underground zouden vergeten en verbrokkeld landschap, de ijle agglomeratie, verborgen kunst (denk bijvoorbeeld aan het oeuvre van architect Frits Peutz), vastgeroeste cultuur en belegen vrijetijd door unieke product-marktcombinaties en verfrissend hergebruik van de leegstaande bedrijven, winkelstraten en wijken, tot een nieuwe economie kunnen uitgroeien. Want dat is waar het in een Internationale Bauausstellung uiteindelijk om gaat: economische revitalisering en een (weer) trotse bevolking.

Dat is de uitdaging waar Jo Coenen zich voor gesteld moet zien, en waarmee hij de Maastrichtse, nee Nederlandse, nee Euregionale kunstacademies, conservatoria, technische hogescholen, ontwerpbureaus, ontwikkelaars en Einzelgänger moet stimuleren. Het vizier van deze instituten, visionairen en (niet alleen) hoofdstedelijke ambtenaren moet de komende tien jaren gericht zijn op Underground in de Oostelijke Mijnstreek. De streek en de mensen daar zijn het waard (de kolen zijn immers nog niet afbetaald), de ligging biedt potentie (centraal Europees), en de plek is goed ontsloten via een dicht stelsel van autosnelwegen en het kwijnende Maastricht-Aachen Airport. De Euregionale openbaar vervoer-connectiviteit verdient overigens behoorlijk wat aandacht.

Laat dat ook doordringen tot de Limburgse journalistiek en de elitaire Nederlandse kranten. De Limburger bracht in het regionale katern een wat obligaat interview met Jo Coenen daags na de opening, NRC Handelsblad zweeg hooghartig in alle talen. Ongelooflijk! Men heeft geen benul wat een IBA kan betekenen: Dutch Underground is de Emscher van IBA Parkstad.

Jos Gadet
Hoofdplanoloog, Dienst Ruimtelijke Ordening gemeente Amsterdam 

Voor de zomer nog even een workout: Stressen of stretchen?

Afdrukken
woensdag 02 juli 2014
Luuk Postmes van gemeente Eindhoven en ik staan bij het stadskantoor Eindhoven, het startpunt van onze zoektocht naar do’s en dont’s in de buitenruimte. Volgens onderzoek van een uitzendbureau is stress onder de beroepsbevolking met 40% toegenomen en is er sprake van een sluipmoordenaar. Dus we gaan lekker gezond op de fiets.

Top weer trouwens. De zon schijnt weldadig.

Jullie hebben toch een hittestresskaart laten maken, Luuk? Doen jullie daar nog wat mee? Jazeker, bij nieuwe projecten kijken spelen we met water en groen en is er aandacht voor kleurgebruik van verhardingen ed. Zo blijft de stad ook in de toekomst leefbaar.

Zo fietsen we filosoferend en observerend door de stad. We leren van elkaar en over de buitenruimte. We eindigen ons rondje weer bij het stadskantoor.

Naast het stadskantoor ligt een groen veld waar klaarblijkelijk nog geen duidelijke bestemming voor is.

Hier wil ik wel eens mee aan de gang, Fred. Maar ik weet nog niet wat.

En dan zie ik het voor me! De elementen die deze ochtend voorbij kwamen: stress, hittestress, werk, buitenruimte, bewegen, anders kijken, anders doen.

Het kwartje valt. Woonprogramma’s zijn al geruime tijd niet van het beeldscherm weg te denken. Opvalt dat interieurarchitecten de woonkamer graag doortrekken in de tuin.

Luuk! Stel je eens voor dat we dat concept eens doorzetten. We creëren een ”workout”. Een plek om buiten te werken naast het kantoor. We stretchen het kantoor. We voorzien de workout van stroom-aansluiting en wifi. En ja, een koffievoorziening mag natuurlijk niet ontbreken.

Zie je het voor je Luuk? Werken in de luwte van een paar dicht bebladerde bomen. Niks stress. Een plek die creativiteit stimuleert, ontmoetingen met anderen makkelijk maakt. Ja, dat geeft het begrip front- en backoffice toch wel een heel andere lading. Geen wagenpark, maar werkpark. Vrolijk gestemd door onze denkbeelden gaan we vervolgens ieder ons weegs.

Thuisgekomen filosofeer ik onder het genot van een mooi glas Valpolicella ripasso nog even door. Wie wij zijn bepaalt hoe wij naar de buitenwereld kijken. Is het zo dat, zoals Dom Hans van der Laan (architect) beweerde, de mens behoefte heeft aan duidelijke afbakening van die ruimte? Of is een afgebakende ruimte juist een makkelijk toevluchtsoord om aan het onbekende te ontkomen? En is het feitelijk letterlijk in je schulp kruipen. Is dat het geval bij overheidsgebouwen? Het is merkwaardig dat de publieke organen meestal helemaal niet zo toegankelijk zijn. Het blijven forten waar de ambtenaren zich opsluiten. Veilig, achter het bureau.

Nee, dames en heren. Beleid maak je niet binnen maar buiten. Parkeerbeleid op de parkeerplaats, participatiebeleid bij de participanten, verkeersbeleid …..

Een workout is een mogelijke tussenstap. Een echte werkplek met een publieke functie. Een plek waar de ambtenaar proactief de burger ontmoet. Jaha, niet alleen de burger moet participeren, maar ook de overheid.
Kom mensen work out! Even stretchen.

Fred Bransen is als programmamanager ruimtelijke kwaliteit/consultant werkzaam bij adviesbureau Tauw.

De grote sloopshow

Afdrukken
woensdag 02 juli 2014
Als een echte makelaar prees minister Stef Blok zijn vastgoed aan, op het symposium over herbestemming en transformatie in de Rotterdamse Kunsthal. Kijk eens naar de koepelgevangenis in Haarlem, karaktervol en gunstig gelegen. Het is misschien even wennen aan het idee, maar je zou daar prachtige dingen in kunnen doen. Of het ministerie van Sociale Zaken in Den Haag van architect Hertzberger, pal naast het station Laan van NOI. Eigenlijk had Blok altijd al meer met transformatie dan met nieuwbouw. De prikkelende stelling dat tachtig procent van alle leegstaande gebouwen niet voor herbestemming in aanmerking zal komen - afkomstig van het College van Rijksadviseurs, dat de dag organiseerde - vond hij dan ook 'te somber'.

En weg was de minister, zoals meestal als een bewindspersoon een bijeenkomst opent. Dat was jammer, want nu miste hij de boeiende lezing van adviseur en (her-) ontwikkelaar Rudy Stroink. Die zei dat de overheid niet alleen moet kijken naar de eigen efficiency maar ook maatschappelijke verantwoordelijkheid moet tonen. We zitten nu al in een te ruime jas, een grote hoeveelheid vrijkomend overheidsvastgoed vergroot de leegstand op andere locaties en laat het herstel op de vastgoedmarkt langer duren.

Het vreemde is: iedereen lijkt het eens met de analyse dat we te veel hebben gebouwd, nog los van de vraag hoe groot de voorraad kansloos vastgoed nu precies is, en toch gaat het op zo'n dag opvallend weinig over sloop. Praten over sloop lijkt een beetje taboe. We hebben er zelfs eufemismen voor bedacht: onttrekking, transformatie. Blijkbaar moeten we nog wennen aan het idee dat we in een tijdperk zijn beland waarin krimp niet alleen een bedreiging is, maar ook een bewuste keuze kan zijn. Sloop wordt geassocieerd met pessimisme en mislukking, zie de uitspraak van Blok. Liever laten we de successen van herbestemming zien en benadrukken we de kansen van leegstand. Hergebruik, kleinschaligheid, flexibiliteit en tijdelijkheid zijn de trefwoorden die daarbij horen. Net als een versoepeling van regels, zoals de verruiming van de termijn voor tijdelijk gebruik van vijf naar tien jaar. Zo krijgen nieuwe initiatieven langer de tijd om zich te bewijzen.en kan worden gezocht naar een volwaardige herbestemming.

Maar hoe kansrijk zijn al die lege en vrijkomende gebouwen nu echt? Moeten we dat niet scherper definiëren in plaats van alleen de herbestemmingspareltjes te tonen? Tijdelijk gebruik betekent in de praktijk meestal dat de gebruikers te weinig huurinkomsten opbrengen om onderhoud aan het gebouw te kunnen plegen. En al helemaal niet om een transformatie van een heel gebied te helpen financieren. Je ziet ze overal; halflege of bijna lege gebouwen waarin non-profit stichtingen of creatieven zijn ondergebracht in afwachting van betere tijden. Leuk voor die stichtingen en die creatieven. Maar er komt een moment waarop je je moet afvragen: is dit een veelbelovende doorstart of verwaarlozing onder toezicht? Hoelang mag je blijven filosoferen over de toekomstige gebruiksmogelijkheden van een gebouw (verticale landbouw, energie-opwekking, een klimhal) voor je de conclusie trekt dat het bij filosoferen blijft?

We weten dat we teveel vierkante meters hebben. We weten dat zelfs de herbestemming van gunstig gelegen, historisch waardevolle gebouwen een enorme opgave is. Tegelijkertijd komt de noodzaak van sloop maar moeilijk op de agenda. Daar zijn natuurlijk goede redenen voor. Het eigendomsrecht is sterk, waardoor overheden weinig mogelijkheden in handen hebben om sloop af te dwingen. Daarnaast zal een gesprek over herbestemming doorgaans beter voor de sfeer zijn dan een voorstel tot sloop. Misschien is er een onconventionele aanpak nodig om de acceptatie van sloop te vergroten. Een van de ideeën die in de Kunsthal werd geopperd was om er een TV-format van te maken: van De grote verbouwing naar De grote sloopshow.

Martin de Jong
www.vrije-ruimte.blogspot.nl

In memoriam

Afdrukken
woensdag 25 juni 2014
In alle opwinding rondom het nieuwe bestuurscollege in Amsterdam is het maar een enkeling opgevallen. Maar aan de Amstel is bij de verdeling van de wethoudersportefeuilles iets wezenlijk veranderd. Het ooit prestigieuze beleidsveld van de ruimtelijke ordening is als restpost bij Grondzaken (lees erfpacht) ondergebracht en wordt bestuurd door een VVD-wethouder die zijn tijd ook nog over zorg, welzijn en sport moet verdelen. Een soort superwethouder dus, die met een beetje geluk misschien een kwartier per week vrij kan maken om over de ruimtelijke ontwikkeling van de hoofdstad na te denken. Daarna eisen ingewikkelde dossiers als de bezuinigingen op welzijn en de decentralisatie van langdurige zorg weer zijn aandacht op.

De portefeuilleverdeling staat symbool voor de Werdegang die de ruimtelijke ordening als beleidsterrein in Amsterdam sinds enkele jaren beleeft. Sinds de vastgoedcrisis en daaropvolgende instorting van de woningmarkt zijn tientallen gemeentelijke plannen voor nieuwe woningen en kantoren geschrapt. Bovendien besloot de vorige RO-wethouder Maarten van Poelgeest onder dreiging van forse tekorten op zijn begroting om voortaan niet te veel meer op de markt vooruit te lopen. Als private partijen ergens willen investeren, zal de stad hen daarin volgen en grond bouwrijp maken. Maar de tijd dat de gemeentelijke planologen op eigen houtje bedachten waar nieuwe woningen of parken moesten komen, is voorbij. Voor de ruimtelijke diensten betekent de nieuwe beleidslijn een flinke aderlating. Van het budget voor nieuwe projecten is nog maar een derde over. Zo’n tweehonderd banen worden geschrapt.

Is die afbraak van de ruimtelijke ordening als gemeentelijk beleidsveld een ramp voor de stad? Ja en nee. Met de ontslagen gaat er veel deskundigheid over ruimtelijke ontwikkelingen en processen verloren. Als de economie weer aantrekt en de roep om nieuwe woningen en wijk toeneemt, moet Amsterdam die kennis weer tegen hogere kosten bij externe bureaus inkopen. Maar de samenleving is ook veranderd. Planologen hebben niet meer het alleenrecht op het nadenken over de ontwikkeling van steden. Burgers willen meedoen en steeds meer overheden zijn bereid om hen daarbij te helpen, al wil het met de samenwerking nog niet overal vlotten. Jazeker, het is het einde van een tijdperk waarin de bomen tot in de hemel leken te groeien, maar ook het begin van een nieuwe, spannende periode met een bescheidenere overheid en een flinke dosis nuchterheid over de maakbaarheid van ons land.

Jaco Boer is redacteur van ROmagazine @jaco_boer

Kanteling op de energiemarkt

Afdrukken
woensdag 25 juni 2014
Met de opmars van zon- en windenergie, en de gunstige perspectieven voor lokale smart grids, lijkt de energiemarkt nu dan ook in Nederland te kantelen.

Natuurlijk domineren de grote stroomproducenten de markt voor elektriciteit nog, maar dat is in razend tempo aan het veranderen nu de winstgevendheid afneemt en de technische mogelijkheden voor opslag van energie verbeteren. Toch moet de echte transitie komen uit de bouwwereld.

Met de bouw van nieuwe energieneutrale woon- en werkgebieden schiet het nog niet echt op. Het aantal nieuwbouwprojecten in de koop en huursector dat standaard energieneutraal wordt gerealiseerd, is nog op één hand te tellen. Veelal zijn het enkele of kleine aantallen geclusterde woningen en individuele bedrijfsgebouwen. Er is nog geen enkele gemeente die energieneutraal als harde eis op tafel legt, en daarvoor investeert en faciliteert. Daarmee is het de vraag of de ambitie uit het Lente-akkoord om in 2020 alle nieuwbouw energieneutraal te realiseren haalbaar is.

In de bestaande bouw is de uitdaging nog groter, ook al doen woningcorporaties wat ze kunnen om bij onderhoud en renovatie van huurwoningen meteen een duurzaamheidslag te maken. Voor koopwoningen, net als voor verhuurde bedrijfspanden of bedrijfspanden in eigendom ligt de verantwoordelijkheid bij de eigenaar of beheerder.

Energiebesparing ligt het meest voor de hand en op dat terrein gebeurt dan ook het meest. Energieopwekking beperkt zich vooralsnog grotendeels tot stroom via zonnepanelen en windenergie. Maar dat gaat wel heel hard. Vooral de eigenaar-bewoner lijkt zich in toenemende mate te realiseren dat het slim is om te investeren in stroomopwekking. Meer en meer banken werpen zich op om hier aantrekkelijke financieringsregelingen voor aan te bieden. De overheid kan dit verder stimuleren door snel duidelijkheid te geven over de saldering, en die in ieder geval door te laten lopen tot 2020.

De verwarming van gebouwen lijkt de grote bottleneck. Daarvoor zijn we in Nederland en de landen om ons heen nog te veel aangewezen op fossiele brandstoffen, met name gas. Maar ook hier gaat de technologie doorbraken brengen, op de korte termijn met de verbetering van het rendement van op stroom draaiende verwarming en opslagfaciliteiten voor opgewekte energie in small grids. Tussen nu en tien jaar zal decentrale energieopwekking een substantieel deel van de verwarming van huizen en bedrijfsruimten in kleinere gemeenschappen voor z’n rekening nemen. Of dit succes zich uitbreidt naar steden en industriegebieden zal afhangen van de mogelijkheid en bereidwilligheid bij de grote spelers om het netwerk geschikt te maken voor decentrale opwekking. Onze oosterburen zijn al tegen dit dilemma aangelopen.

In Nederland houden de grote energieleveranciers nog krampachtig vast aan hun monopoliepositie. De vraag is hoe lang ze dat nog kunnen, voordat de wal het schip keert. Eigen onderzoek van FD bracht onlangs aan het licht dat de omvang en waarde van grote stroomproducenten in Europa de afgelopen jaren fors is gekrompen. Ze hebben de afgelopen jaren honderden miljoenen aan beurswaarde zien verdampen door slechte vooruitzichten en lage winstgevendheid.

De vraag is afgenomen en de capaciteit toegenomen, moest Peter Smink topman van Nuon, erkennen in het FD van 22 juni j.l. Wat niet alleen te maken heeft met de crisis, wel met overmoedige investeringen in overnames en uitbreiding van capaciteit. Die situatie zal de komende jaren naar verwachting niet veel verbeteren, zeker nu er steeds meer prijsvechters met stuntprijzen op de markt komen en de mogelijkheden voor verduurzaming van gebouwen groter worden. Er lijkt een structurele verschuiving aan de gang op de energiemarkt in de richting van decentrale energieopwekking.

De definitieve omwenteling zal komen uit de wereld van de bouw, tenminste als die in staat is om de uitdagingen aan te gaan. Vernieuwers in de branche stellen dat de bouwkosten significant omlaag kunnen en dat de bouw heel goed marktconforme oplossingen voor duurzame gebouwen kan bieden. Door bijvoorbeeld kant-en-klare bouwpakketten voor verduurzaming aan te bieden, gekoppeld aan financiering.

In de toekomst lijkt een combinatie van grootschalig opgewekte energie op bijvoorbeeld windparken en decentrale energieopwekking het meest waarschijnlijk, een systeem dat zekerheid biedt en flexibel kan inspelen op vraag en aanbodfluctuaties. Zowel de overheid als de grote energieleveranciers hebben er moeite mee dat te accepteren en daar in mee te gaan.

Marcel Bayer is hoofdredacteur van ROm

De zegen van sociale media voor de publieke ruimte

Afdrukken
woensdag 25 juni 2014
Geografen en stedenbouwkundigen houden zich met menselijk gedrag bezig. Idealiter bestuderen, beschrijven en begrijpen de eersten dat gedrag, en vormen daarmee de basis voor een prachtig ontwerp van delen van de stad. Idealiter! Hoe dan ook, beide groepen ruimtelijke ordenaars moeten doordrongen zijn van de basale sociale en economische motieven die ten grondslag liggen aan dat menselijk gedrag. Dat is: zorgen voor nageslacht en overleven om die zorg zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Daarvoor hebben we anderen nodig en werk. Zowel in de biologie als in de economie is diversiteit een bewezen en noodzakelijke voorwaarde voor succes. Het gezondste nageslacht komt voor uit een gevarieerde populatie, en economische innovaties ontstaan in een milieu waar veel en verschillende ideeën tegen elkaar opbotsen. Kortom, mensen zoeken zo veel mogelijk en veel verschillende andere mensen op.

Een waarheid als een koe, maar te veel beroepsgenoten hebben niet het flauwste benul van deze grondslag van hun werk. Zo riepen in de jaren ’90 gezaghebbende sociologen en stedenbouwkundigen, met Rem Koolhaas voorop, dat de openbare ruimte binnen afzienbare tijd ‘dood’ zou zijn omdat iedereen via internet zijn weg zoekt. Darwin had zich amper in zijn graf omgedraaid of het gebruik van de openbare ruimte explodeerde. Tot op de dag van vandaag. Niet overal. Nee, natuurlijk niet. Maar wel daar waar veel andere en verschillende soorten mensen zijn. Je kon het op de achterkant van een bierviltje profeteren.

Sociale media zijn vandaag de dag de nieuwe duivelse belagers van de samenleving, zoals alle voorgaande veranderingen in de informatieoverdracht. Grieken zagen het beitelen van interessante gedachten in steen toch vooral als het bevorderen van lui denken. De uitvinding van de boekdrukkunst zou de weg openen naar ongebreidelde kennisoverdracht van vooral gevaarlijke en moraal aantastende hersenspinsels. Uiteindelijk leidde het allemaal tot meer face to face contacten.

De intensivering van het gebruik van de openbare ruimte loopt parallel aan (snelle) ontwikkelingen op het gebied van de telecommunicatie. Je kunt dit de ‘paradox van de telecommunicatie’ noemen: hoe groter de digitale contactmogelijkheden, hoe intensiever het aantal face to face contacten. De socioloog Castells wijst in dit verband op het groeiende belang van digitale connectiviteit: “Permanent connectivity, not motion, is the critical thing”. Uit een onderzoek dat ik samen met collega’s van de Dienst Onderzoek en Statistiek in 2012 heb uitgevoerd bleek dat een kwart van de smartphone-bezitters hun fysieke sociale contacten hadden zien toenemen als gevolg van gebruik van sociale media. De helft van de gebruikers meende dat de sociale contacten hetzelfde gebleven waren en slechts twee procent had een afname gezien. Meer dan 80 procent van de respondenten zag in de toekomst het aantal fysieke sociale contacten toenemen.

Waar vinden die sociale contacten dan plaats? Op leuke plekken! Maar liefst 60 procent van de respondenten noemden het levendige deel van de stad Amsterdam, het gebied binnen de Ring A10 met een veelheid en veelsoortigheid aan interne (bijvoorbeeld horeca of bibliotheken) en externe ontmoetingsplekken (parken, pleinen), als de fysieke plek waar hun digitale contacten face to face ontmoetingen werden. Uit het recente Grote Groenonderzoek 2013 blijkt dat het gebruik van parken binnen de Ring toeneemt, en buiten de Ring zelfs daalt! Overtuigende onderbouwing voor de constatering in The Economist (2008) dat “… the next big wave of social networking will revolve around mobile phones and the places that people take them to

We zijn er nog niet. In een kennisstad als Amsterdam zijn openbare ruimten de meest toegankelijke plekken om anderen en andersdenkenden te ontmoeten. Daar doet men nieuwe ideeën op en wisselt men kennis het snelst uit. Voor het toenemend aantal zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel) is de openbare ruimte ook nog eens letterlijk ‘het kantoor’ waar men klanten of anderen ontmoet. Kortom, stedelijke openbare ruimten en gelegenheden zijn de productiemilieus van de nieuwe economie

Het gebruik van de openbare ruimte als productiemilieu wordt vergemakkelijkt door de hoge vlucht die de toepassingsmogelijkheden van smartphones nemen. Men is niet alleen constant in contact met anderen, maar plukt ook alle documenten, portfolio’s, presentaties en dummy’s vanuit het park, de bibliotheek, het café, Coffee Company of vanaf het terras ‘uit de lucht’. Ook hier vergroten de smartphones het gebruik van leuke plekken.

Tenslotte. Stedelijke gezinshuishoudens (groeiend in een stad als Amsterdam) kennen gemiddeld vier agenda’s die op elkaar moeten worden afgestemd. Dat wordt met behulp van smartphones en allerlei apps weliswaar vergemakkelijkt, maar tijdruimte-budgetten krimpen. Dus wordt nabijheid van voorzieningen een cruciale vestigingsfactor. Sprawled Cities zijn daarmee uit den boze, wat ook uit de Angelsaksische literatuur blijkt.

Kortom, smartphones verhogen het aantal fysieke contacten, vergemakkelijken het afspreken op aantrekkelijke plekken, faciliteren Het Nieuwe Werken in de publieke ruimte, zijn een niet meer weg te denken organizer van urban family life en scheppen een compacte stad. Dus: steden let op uw zaak. Geen bedrijventerreinen, shopping malls, asfalt, parkeerstroken of wijken met eengezinswoningen aanleggen, maar richt je op parken, fietsverbindingen, stadsstraten, compacte bouwblokken, openbaar vervoer, openbare ruimte en voorzieningenmix!

Om toch doemdenkend te eindigen: wie geen deel uitmaakt van een digitaal netwerk is (zowel sociaal als ruimtelijk) outcast!

Jos Gadet
Hoofdplanoloog, Dienst Ruimtelijke Ordening gemeente Amsterdam

Externe veiligheid bij windturbines

Afdrukken
dinsdag 17 juni 2014
In het tijdschrift Milieu & Recht is een artikel verschenen van Robin Aerts, getiteld ‘Windturbines en externe veiligheid; Safety first!’. In dit artikel schetst Robin op toegankelijke wijze het juridisch kader rond externe veiligheid bij windturbines.
De afgelopen tijd hebben de juridische aspecten rond windenergie op warme belangstelling mogen rekenen. Een onderwerp dat tot nog toe onderbelicht is, betreft externe veiligheid bij windturbines. IJsafwerping, mastbreuk, het afbreken van een turbineblad. Zomaar wat incidenten die zich kunnen voordoen bij een windturbine. ...

> http://bloggebiedsontwikkeling.nl/blog/externe-veiligheid-bij-windturbines/

Borrowed size

Afdrukken
dinsdag 17 juni 2014
Het afgelopen jaar verloor ik twee vrienden. Eén aan Zoetermeer en een aan Utrecht. Ik was gewend ze spontaan op te zoeken in hun krappe woninkjes. Of we spraken af in een café: De Kat in de Wijngaert, Daalder, De Tuin, Pacific Parc, Gruyter, Bax, De Doffer. Hun vertrek doet afbreuk aan mijn levensgeluk. Voor een Amsterdammer zonder rijbewijs is een patiobungalow aan de Zoetermeerse Niemeyerruimte) ongeveer even ver weg als Schiermonnikoog. Utrecht is middels dubbelspoor en snelle intercity’s makkelijker te bereiken. Maar spontaan langsgaan gebeurt ook daar niet.

De laatste tijd hoor ik veel planners prater over borrowed size. Het komt er op neer dat een stad als Amsterdam niet zozeer zelf hoeft te groeien, maar door het verbeteren van verbindingen met de voorsteden metropolitane massa kan toevoegen. Bijvoorbeeld door de railinfra van de NS beter te benutten en met een vijfminutendienstregeling te gaan rijden op Almere, Haarlem, Hilversum, Zaandam en Hoofddorp. Hierdoor gaan deze plaatsen integraal onderdeel uitmaken van de stad. Zoals Chiswick onderdeel is van Londen en Coney Island van New York. En zoals Londenaars uit Chiswick uitgaan bij de Camden Lock, zo zullen Amsterdammers wonen in Heemstede en gaan stappen op de Dam in Zaandam. Gelooft u het? Ik dus niet.

De moeite die ik heb om vrienden en familie vlak buiten Amsterdam te bereiken wordt niet minder met een vijfminutendienstregeling. Een reis naar mijn Utrechtse vriend behelst een tramrit van tien minuten, een overstap op het immer winderige station Lelylaan, een metro-rit van vijftien minuten naar station Bijlmer, weer een overstap en een treinreis naar Utrecht CS, een wandeling van vijf minuten door deze deprimerende betonjungle naar het OV-fietsdepot en ten slotte een irritante fietstocht van een kwartier door te smalle en drukke straten naar Tuinwijk. Verkeersplanologen vinden dat ik me aanstel. In andere metropolen reizen mensen zonder problemen zulke afstanden met het OV. In hun ogen zijn wij Amsterdammers bekrompen provincialen. Echte stedelingen draaien voor zo’n reisje hun hand niet om. Wij beperken onze mogelijkheden door zo gericht te zijn op de eigen stad.

Gelukkig kom ik ook wel eens in andere steden. Het gemak waarmee je met de underground door Londen reist valt dan op. In New York en Berlijn is dat niet anders. Meestal kom je met een of twee snelle overstappen van dichtbij je vertrekpunt naar dichtbij je bestemming. De reis is misschien niet per se kort, maar wel eenvoudig en overzichtelijk. En dat is het grote verschil met Amsterdam. Het is een gevolg van het feit dat ons stedelijk en regionaal OV niet zijn geïntegreerd. Een probleem waar ook Parijs mee worstelt, al is het in Amsterdam feitelijk nog erger omdat we geen fijnmazig metronetwerk onder de stad hebben liggen waarmee je snel naar een station van de spoorwegen kan reizen. In dit licht is het dan ook een epische blunder dat de rechtstreekse metroverbinding tussen onze belangrijkste suburb, Amstelveen, en de binnenstad dreigt te worden geknipt. Een voorbeeld van onverantwoorde stadsplanning!

Amsterdammers zijn geen provincialen, ze bedanken simpelweg voor de frustrerende exercitie die het reizen met ons regionaal openbaar vervoer is. Het lijkt me geen toeval dat zowel in Parijs als Amsterdam de concentratie van de elite in de metropolitane kern extreem is. Buiten wonen en optimaal gebruik maken van de voorzieningen in het centrum is er gewoonweg onmogelijk. Naar Utrecht of Almere verhuizen betekent een afscheid van een stedelijke levensstijl en van vrienden en plekken die je dierbaar zijn.

Mijn ruggengraatloze vrienden lieten zich door hun vriendinnetjes de stad uit slepen. Eén van de relaties is intussen beëindigd. Het leven blijkt eenzaam aan de Niemeyerruimte en de autorit naar Amsterdam lang. Binnenkort komt hij mijn leven weer verrijken met zijn nabijheid. In de stad. Op fietsafstand.

Errik Buursink

Middenbestuur aan zet

Afdrukken
dinsdag 17 juni 2014
Nog maar enkele jaren geleden was het voortbestaan onderwerp van gesprek, thans moet gebiedsontwikkeling het hebben van onze provincies. Zij zijn scharnier tussen hogere en lagere overheden, integrator van sectoren, coach van gemeenten, bediener van het regionale schaalniveau, verbinder van korte en lange termijn en inspirator van private en particuliere initiatiefnemers.

Binnen de twaalf is weliswaar nog steeds sprake van koplopers, middenmotors en hekkensluiters maar de noodzaak van een krachtig middenbestuur is duidelijk. Gemeenten komen om in geldzorgen en nieuwe taken. Departementen stikken in procedures en zijn mede daardoor inhoudelijk in ontbinding. Waterschappen worstelen met het zijn van functionele democratie, terwijl waterdoelen het voor realisatie steeds meer van coproductie moeten hebben. Private partijen zetten de korte termijn noodgedwongen hoog op de agenda en particulieren hunkeren naar betekenisvolle verbindingen. Koepelorganisaties representeren nog vooral zichzelf. Het waren de keizers in ons poldermodel, maar thans zonder kleren. Wie even niet oplet, wordt ingehaald door de mondiale dynamiek.

Vooralsnog lijkt dit de statische overheden niet te deren, maar dat is schijn. Bij structureel onvoldoende meerwaarde gaan ook daar koppen rollen. Het papieren Ministerie van VROM is hiervan een voorbeeld. De koplopers in provincieland zijn thans de nieuwe overheid aan het uitvinden. Een overheid die er feitelijk toe doet, ook in de ogen van anderen maatschappelijke meerwaarde levert en de noodzaak van reclamecampagnes voor zichzelf ver achter zich laat.

Peter van Rooy, directeur Accanto & NederLandBovenWater

© ROM B.V.

ROmagazine - Weblogs. http://www.romagazine.nl
Template Joomla 1.7 by Wordpress themes free