Natuurbewuste wegverbreders bij de A12

Afdrukken
woensdag 15 mei 2013
De belangrijke natuurgebieden Kromme Rijn, Utrechtse Heuvelrug en Gelderse Vallei kregen de afgelopen jaren de verbreding van de A12 tussen Utrecht Lunetten en Veenendaal (A12 LuVe) voor hun kiezen. Verbreden van bestaande wegen lijkt vaak gepaard te gaan met aantasting van de natuur. Bij A12 LuVe zijn de wegverbreders juist zorgvuldig omgegaan met de natuur en zijn natuurpartijen nadrukkelijk betrokken bij de bouwplannen. Door deze proactieve aanpak zijn ecologische inpassingen vooraf bekeken en afgestemd.

De wegverbreders zijn in dit geval Rijkswaterstaat en Poort van Bunnik, een aannemerscombinatie van BAM-divisies. In juni 2010 tekenden zij een zogenaamd DBFM-contract (Design-Build-Finance-Maintain) waarbij Poort van Bunnik behoorlijk veel ontwerpvrijheid had.

Lees meer...

Als gladiator in de arena vechten voor veiligheid

Afdrukken
donderdag 09 mei 2013

Externe veiligheid als ontwerpvariabele

In de ruimtelijke ordening (RO) heeft het vakgebied externe veiligheid (EV) grote moeite om voldoende gewicht in de schaal te leggen. Ruimtelijk ontwerp en veiligheid gaan beter samen waar EV-specialisten eerder in het planproces betrokken zijn, werd eerder dit jaar in ROm geschreven. In het kader van het Verbeterprogramma Groepsrisico dook Marc Numann van Bureau Stedelijke Planning als stedelijk ontwikkelaar in de wereld van de externe veiligheid. EV kan vroegtijdig in het planproces een plek krijgen, als de EV-er gaat denken als een RO-er. Hij gebruikt hiervoor de metafoor van de gladiator die het strijdtoneel betreedt.

Lees meer...

‘Energieneutraal bouwen is geen keuze’

Afdrukken
woensdag 01 mei 2013

Boegbeelden van de transitie

De ‘Excellente Gebieden’ lopen voorop met energiezuinige nieuwbouw en vormen daarmee een leerschool voor de rest van Nederland. Voorop lopen vraagt om doorzettingsvermogen en inventiviteit, helemaal waar het gaat om energiezuinig bouwen in een moeilijke markt. Zonder ‘excellente’ mensen zouden de excellente gebieden het niet redden. ROm portretteert een aantal van deze boegbeelden over hun drijfveren en manier van werken. In deze vijfde aflevering Harry Kiers van de Gemeente Hoogeveen over de energieneutrale dorpsuitbreiding van Pesse.

‘Ook voor de plannen voor de uitbreiding van het dorp Pesse met 56 energieneutrale woningen is de crisis een behoorlijke tegenslag. Maar wij als gemeente Hoogeveen haken niet af bij de eerste de beste hobbel. Energieneutraal bouwen is namelijk geen keuze, anders bouw je “oude” nieuwe woningen. Dat moet je niet willen. Natuurlijk zijn wij Excellent Gebied en daarmee koploper in energieneutraal bouwen in Nederland, maar de urgentie zou wat ons betreft beter uitgedragen mogen worden en de noodzaak ervan beter tussen de oren mogen komen.’

Excellent Gebied – uitbreiding Pesse
Gemeente: Hoogeveen
Omvang: Kavels voor de zelfbouw van circa 56 woningen en het vernieuwen van de sportaccommodatie
Opdracht: Energieneutrale uitbreiding van het dorp Pesse, waarin de gemeente Hoogeveen nauw samenwerkt met bouwers, bewoners en kavelkopers.
Energiemaatregelen: Individueel
EPC: 0-0,3
Meer informatie: www.hoogeveen.nl

‘We merken het bij de potentiële geïnteresseerden in de energieneutrale woningen. Ze zien de energiebesparende maatregelen over het algemeen nog als extra kosten en hebben twijfels over de werking en de technieken. Onbekend maakt onbemind. Dat snappen wij ook wel en daarom bieden we iedere koper gratis advies en begeleiding aan van een adviesbureau. En rentekorting bij de plaatselijke Rabobank voor de meerinvestering ten behoeve van de energiemaatregelen. Daarnaast proberen we uit te leggen dat het niet per definitie extra hoeft te kosten, als de ligging, het concept, het ontwerp goed zijn. En dan heb ik het nog niet over de lage(re) energierekening.’


Impasse doorbreken

‘Faciliteren en meedenken is het belangrijkste wat je als gemeente kunt doen. Binnen de dorpsgemeenschap hebben we veel geïnvesteerd in draagvlak en overleg, onder meer over de plek van de uitbreiding en de verkaveling. We proberen zoveel mogelijk met lokale en regionale partijen te werken. Zo wordt het niet een “projectje van de gemeente” maar echt iets van, voor en door de eigen gemeenschap. Daarnaast denken we na over wat we zelf kunnen doen om de impasse in de woningbouw vlot te trekken. Zo onderzoeken we bijvoorbeeld of we iets aan de grondprijzen kunnen doen. Iemand in Nederland moet de rekening van de crisis gaan betalen. De banken, de bouwers, de gemeentes of de kopers. Nu houden we elkaar in de houdgreep en daar is uiteindelijk niemand mee geholpen, laat staan het milieu.’

Excellente Gebieden
De uitbreiding van Pesse is één van de 19 zogenoemde ‘Excellente Gebieden’, ondersteund door Agentschap NL met een kennis- en leertraject. In deze gebieden wordt minimaal 25 procent energiezuiniger gebouwd dan het Bouwbesluit op dat moment voorschrijft. De opgedane kennis en ervaringen is bedoeld voor alle in de bouw betrokken partijen om in 2020 energieneutraal te kunnen bouwen. Zie ook: www.excellentegebieden.nl

‘Ondertussen houden we vast aan onze klimaatdoelstelling waarbij we als gemeentelijke organisatie de ambitie hebben geformuleerd om in 2020 energieneutraal te zijn, en als Gemeente Hoogeveen in 2040. Woningbouw vertegenwoordigt 25 procent van de C02-uitstoot in onze gemeente, dus ligt het zeer voor de hand om daar maatregelen voor te ontwikkelen. De geplande woningbouw in de dorpen, waaronder Pesse, wordt dus energieneutraal. Daarmee willen we een voorbeeld stellen voor de bestaande bouw, want de grootste opgave voor Nederland, en dus ook voor Hoogeveen, is het energiezuinig maken van bestaande woningen. Daarvoor leveren we in Pesse een case af, met de energiezuinige renovatie van het sportcomplex.’

Begeleiding en monitoring

'Op dit moment wordt in Pesse de grond bouwrijp gemaakt voor de eerste fase: 17 kavels voor 12 twee-onder-een kap en 5 vrijstaande woningen die worden verkocht voor particulier opdrachtgeverschap. De rest wordt ontwikkeld door een projectontwikkelaar, waarmee we nu in gesprek zijn. De kavels krijgen geen aansluiting op gas, maar we hebben ook geen ander verplicht collectief systeem zoals WKO en aardwarmte. De kavelkoper heeft hiermee maximale keuzevrijheid. Ze worden in het maken van deze keuze begeleid door Innovatief Bouwend Kenniscentrum Noord (IBKN), die tijdens de bouw in de gaten houdt of de beoogde mate van energiezuinigheid echt wordt gerealiseerd. Aals de eerste woningen straks bewoond zijn en als ze goed bevallen, zullen er vast meer mensen over de streep worden getrokken. Want mensen blijven mensen: eerst zien, dan geloven.’

Merlijn Wessels

Europees onderzoek naar coalities voor groenblauwe diensten

Afdrukken
woensdag 24 april 2013

Dragers van een duurzaam landschap

De combinatie van landschapsdiensten en groenblauwe infrastructuur vormt een kansrijke mogelijkheid om een duurzaam en ‘energiek’ landschap te ontwikkelen. Mits gekoppeld aan de belangen en waarden van bewoners, bezoekers en ondernemers. Dat is de voorzichtige eerste conclusie uit Europees onderzoek. Belangrijke bouwstenen zijn de collectieve focus op kansen en ambities en het ontwerpgericht creëren van gebiedspecifieke en door actoren zelf gegenereerde oplossingen. In dit artikel de eerste resultaten uit onderzoeksprojecten in de praktijk.

Door de eeuwen heen hebben mensen hun landschap aangepast om de gebruikswaarde te verhogen, bijvoorbeeld om er veiliger te kunnen wonen, water beter vast te houden of met meer zekerheid voedsel te produceren. Veel functies van het landschap zijn gaandeweg door technische regelfuncties vervangen, en inmiddels zien velen hun landschap vooral als een decor voor wandelen of fietsen.

Door duurzaamheid als leidend principe in ruimtelijke ontwikkeling te brengen, geven we het landschapsconcept weer de veelzijdige betekenis van een sociaal-ecologisch systeem: het resultaat van de dynamische wisselwerking tussen natuur en mens. Natuur zien we daarbij niet als planologisch bestemd gebied, “natuur” staat voor de natuurlijke processen in het landschap. Als mensen profijt hebben bij het benutten van die natuurlijke processen duiden we dat aan met de term landschapsdiensten.
Intensieve samenwerking na herkennen gezamenlijke belangen
In het beleid worden ze vaak ecosysteemdiensten genoemd. We proberen er nu achter te komen hoe duurzame landschappen ontwikkeld kunnen worden door een energieke samenleving, zoals geduid door Maarten Hajer, directeur van het PBL. Dus met minder of geen overheidssturing, maar door en voor belanghebbenden in gebieden, zoekend naar een balans tussen private en collectieve waarden.

Ons onderzoek in de Hoeksche Waard en in diverse gebieden in Overijssel heeft de contouren van een nieuwe planningsmethodiek opgeleverd, die we inmiddels uittesten in een Europees project GIFT-T! (Green Infrastructure for Tomorrow - Together!). Daarin werken we samen met Nederlandse, Engelse en Belgische partners aan een nieuwe aanpak voor gebiedsontwikkeling met een belangrijke rol voor zelfsturende mechanismen binnen lokale sociale netwerken.

Leeromgeving

Duurzaamheid impliceert dat verandering in het landschap sociale, economische en ecologische meerwaarde oplevert. In de Hoeksche Waard stond aanvankelijk een enkele landschapsdienst centraal: regulatie van insectenplagen in landbouwgewassen door natuurlijke vijanden. Denk bijvoorbeeld aan luizen die kort worden gehouden door sluipwespen. Dat was een idee dat in het gebied zelf was ontstaan, voortkomend uit de wens duurzame landbouw in te voeren. Wij hebben met een aantal partijen een visie op de toekomst van het gebied ontwikkeld en vervolgens een ontwerpmethode gemaakt waarmee die partijen zelf aan de slag zijn gegaan. Daarbij ging het erom een functioneel ontwerp te maken voor de groenblauwe infrastructuur, als de drager van de natuurlijke plaagregulatie. Agrariërs, waterschapmensen en natuur- en landschapsliefhebbers tekenden een kaart voor de groenblauwe infrastructuur van de Hoeksche Waard op basis van ontwerpregels die de relatie tussen de infrastructuur en een betrouwbare plaagregulatie beschreven.

We leerden dat dit proces veel meer opleverde dan een ontwerp. De ontwerpgroep kwam er achter dat boeren moeten samenwerken om de gewenste landschapsdienst optimaal te laten functioneren. Alleen een infrastructuur op de schaal van het landschap levert de dienst voldoende betrouwbaar. Zo brachten we ook andere landschapsdiensten in die door dezelfde infrastructuur werden geleverd: zuivering van oppervlakkig afstromend water en de identiteit van het landschap. Dat had een paar effecten. De betrokken partijen kwamen erachter dat ze gemeenschappelijke belangen hadden bij dezelfde infrastructuur. Daardoor ontstond convergentie en coalitievorming. Bovendien zagen we dat het creëren van een plaagregulatielandschap belangrijke meerwaarde had. Doelsoorten in het natuurbeleid zoals veldleeuwerik en bruine kiekendief profiteerden van het aangepaste landschap, en de bloemrijke infrastructuur werd een trekpleister voor toeristen. De agrariërs kregen er steeds meer plezier in, en vertelden bezoekers graag over hoe ze hun landschap benutten voor een duurzame voedselproductie. Plannen met groenblauwe infrastructuur voor een enkele landschapsdienst genereren dus een aanzienlijke maatschappelijke meerwaarde.

GIFT-T!

In het GIFT-T! project exporteren we de methode die in de Hoeksche waard werd geboren naar andere gebieden en andere situaties. We zijn benieuwd of we daar vergelijkbare processen op het spoor komen. De GIFT-T! methode bestaat uit drie stappen.

Visievorming: waarde creëren door de natuur in je landschap te benutten. We starten met de waardepercepties en toekomstbeelden van belanghebbenden, en koppelen die aan landschapsdiensten. Behalve aan hierboven al genoemde diensten kan worden gedacht aan bestuiving van vruchtgewassen, houtproductie en spirituele ervaringen tijdens wandelingen. Een groep lokale actoren kiest zelf welke diensten voor hen belangrijk zijn of gaan worden.
Meer zelfsturing, minder overheid
We onderscheiden in dit proces twee rollen: aanbieder en vrager. Een vrager herkent een belang bij een dienst en drukt dat uit in een toekomstwens. Een aanbieder heeft grond en kan die zo beheren dat gewenste diensten worden bevorderd. De rollen kunnen samenvallen in een persoon: in de Hoeksche Waard waren boeren zowel vragers als aanbieders, maar hadden andere eigenaren en beheerders van groenblauwe infrastructuur nodig om hun doel te bereiken.

Ontwerp: waarde creatie verbinden met het fysieke landschap. Daarna koppelen we deze diensten via ruimtelijke informatie fysiek aan de groenblauwe infrastructuur. We leveren actoren informatie over hoe de afmetingen van het netwerk voorwaardenscheppend zijn voor het verkrijgen van de gewenste waarde uit de landschapsdiensten. In de peri-urbane landschappen van West-Europa vragen actoren per definitie om meerdere diensten. Hiervoor is het van belang dat het netwerk flexibel van vorm is en passend kan worden gemaakt. Actoren kunnen dus onderhandelen over hoe, waar en voor welke diensten ze het netwerk willen aanpassen voor optimale waarde creatie en synergie.

Organiseren van samenwerking. Het ontwerpproces wordt benut om twee soorten samenwerking tot stand te brengen. Ten eerste samenwerking tussen vragers: hoe meer vragers met gedeelde belangen, des te meer steun voor ontwikkeling van het netwerk, die ook kan resulteren in navenante investeringen. We noemen dit verticale samenwerking. Ten tweede samenwerking tussen grondeigenaren. Betrouwbare levering van landschapsdiensten op het gewenste niveau vraagt vaak om afmetingen van het netwerk die veel groter zijn dan bijvoorbeeld een boerenbedrijf. Grondeigenaren moeten dus samenwerken om die diensten te leveren. We noemen dit horizontale samenwerking.

We ontwikkelen de GIFT-T! methode in de praktijk, op basis van voortdurende terugkoppeling naar de meest recente inzichten in de wetenschap, bijvoorbeeld op het gebied van governance en sociaal-ecologische systemen. Hoewel de inzichten in de methode-ontwikkeling en de wetenschappelijke basis nog sterk in ontwikkeling zijn, passen we de methode dus al gewoon toe, ook al begrijpen we niet altijd het effect ervan in het gebiedsproces. We observeren die effecten en gebruiken de resultaten voor het verbeteren van de methode.

Droomsessies

Denken in termen van vraag en aanbod van landschapsdiensten introduceert marktmechanismen in de ruimtelijke ontwikkeling. Dit vraagt om het smeden van nieuwe coalities van en tussen agrariërs en andere grondeigenaren als aanbieders van diensten, en van burgers, bedrijven en regionale overheden en NGO’s als vragers naar diensten. Omdat voor het leveren van diensten natuurlijk betaald moet worden, ontstaat een vraag naar nieuwe financieringsconstructies met een inbreng van private partijen en bedrijven. Dat wil overigens niet zeggen dat er altijd meer geld in omloop moet komen, want als de natuur werk voor ons doet, spaart dat ook geld uit, bijvoorbeeld bij het inzetten van natuurlijke waterzuivering of plaagregulatie.

In het GIFT-T! project heeft de provincie Zuid-Holland samen met de betrokken gemeenten droomsessies georganiseerd. Dit is een methode om strategische doelen te identificeren gebaseerd op de input van lokale stakeholders. Zij verwoorden daarbij hun dromen ten aanzien van natuur en landschapsdiensten. Het doel is vraaggestuurde visievorming, en om stakeholders actief te betrekken bij waar en hoe de gewenste veranderingen in het landschap gerealiseerd worden. Er is gedroomd door mensen van stad en platteland, door boeren en andere kleine ondernemers, en door vertegenwoordigers van NGO’s. Dit heeft in een enorme lijst dromen geresulteerd die is gepubliceerd op www.mijngroenonsgroen.nl. Maar er wordt ook door grote ondernemingen gedroomd. Dit heeft geresulteerd in een boeiende coalitie: de onlangs gestarte samenwerking tussen de provincie Zuid Holland, Heineken en Alterra, waarin de drie partners met duurzame ontwikkeling een voorbeeld van wereldklasse wil realiseren voor de maatschappij van de toekomst. Haar missie steunt op drie pijlers: een toekomstbestendige economie,
Droomsessies zorgen voor boeiende coalities
brede samenwerking vanuit een gedeelde visie en het benutten van de kracht van de natuur. In dit partnership gaan een multinational, een provincie en een kennisinstituut samen aan de slag om via het concept van landschapsdiensten tegelijkertijd groene, financieel haalbare duurzaamheid in de productielijn en een impuls voor de leefbaarheid en economie van de regio te realiseren. Zo zijn Heineken en Alterra een gezamenlijk project gestart om met het terrein van de Heineken Brouwerij in Zoeterwoude de regionale ecosystemen en biodiversiteit te versterken. Een ander voorbeeld is het in kaart brengen van de biomassaketen met Heineken als vrager en lokale boeren, de provincie en natuurorganisaties als aanbieder, gebruik makend van de productie functie van het landschap. Wij hopen de ervaringen die we daarbij opdoen in andere regio’s van Nederland te kunnen toetsen.

Transparantie

Door het planningsproces op deze wijze te organiseren, krijgt de overheid in de energieke drie duidelijke rollen. Ten eerste die van facilitator: de overheid ondersteunt de totstandkoming van voorbeelden die de trend kunnen zetten, bijvoorbeeld door procesondersteuning en startsubsidies. Daarnaast heeft de overheid een rol als vrager naar landschapsdiensten. Behalve private landschapsdiensten (zoals voedselproductie) onderscheiden we publieke diensten, zoals schone lucht, waterretentie en biodiversiteit. De maatschappij betaalt daar nu voor via belastinggeld, en verwacht dat de overheid dit voor ons regelt. Als vrager is de overheid belanghebbende in het planningsproces, zit samen met andere actoren om tafel, legt eigen ambities en wensen neer, en neemt deel aan onderhandelingen. De derde rol is een coördinerende: het afstemmen van doelen en maatregelen tussen gebieden. Het is van groot belang dat de overheid de grootst mogelijke transparantie betracht over welke rol zij wanneer vervult.

Voorlopige conclusies:
  • Landschapsdiensten is een overkoepelend concept dat integratie van sectoren en belangen bevordert, resulterend in synergie en meerwaarde
  • Het concept, gekoppeld aan de groenblauwe infrastructuur, verbindt private en collectieve belangen en waarden
  • Fysieke en sociale netwerken versterken elkaar: investeren in de groenblauwe infrastructuur is goed voor het individuele belang en tegelijk voor het collectieve belang
  • Het concept bevordert de samenwerking tussen aanbieders van landschapsdiensten.
  • Ook aan de vraagzijde ontstaat samenwerking: bijvoorbeeld coalities tussen bedrijven en overheden
  • Het concept vraagt om een faciliterende overheid
Paul Opdam, Eveliene Steingröver
Alterra, team natuur en samenleving

Beelden: Alterra

Pleidooi voor een andere benadering van natuurbeleid

Afdrukken
woensdag 17 april 2013

Zen en de kunst van natuuronderhoud

Een radicale keuze in het natuurbeleid is noodzakelijk om beter aan te sluiten bij waar de moderne mens gevoelsmatig behoefte aan heeft. Intensiteit van de beleving zou voorop moeten staan, niet langer de bescherming van zoveel mogelijk waardevolle hectares natuurgebied. Zodra de burgers in staat worden gesteld om natuurfactoren als stilte, duisternis en uitgestrektheid intens te beleven, zal natuurbeleid sterk vanuit de samenleving worden ondersteund. Natuur is dan niet een zorgenkindje dat bescherming behoeft, maar eerder de droom die telkens weer vervuld wordt. Luuk Oost en Gonda Laporte doen een oproep aan de beleidsmakers om het roer om te gooien.

Hoe zat het de afgelopen decennia met dat natuurbeleid? In zijn algemeenheid droeg het nogal een defensief karakter. Anders gezegd, het beleid werd hoofdzakelijk ingegeven door angst om natuur te verliezen. Dat lag ook wel voor de hand. Er verschenen alarmerende rapporten over het milieu en de leefbaarheid van de planeet. Bepaalde ingrepen in het landschap - van ruilverkaveling tot de intensivering en schaalvergroting van het grondgebruik – leken weinig goeds te betekenen voor de natuur.

Een plotselinge positieve uitzondering was de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een groot robuust netwerk, dat grote kerngebieden met de natuur verbindt. Opeens werd gedacht in termen van kansen, niet meer in termen van bedreigingen. Het geloof in de mogelijkheid iets goeds
Natuurbeleid is vervallen tot regelzucht, juristerij en techniek
en moois op te zetten, nam de plaats in van de tot dan toe dominante angst voor verlies. Er hing verandering in de lucht en mensen waren optimistisch over de status van natuur in Nederland.

De functie ‘natuur’ werd op een vrijwel gelijkwaardig niveau gezet als landbouw, wegenbouw en woningbouw – de tot dan toe dominante ‘rode’ functies. Die gelijkschakeling bleek bijvoorbeeld uit het voornemen om voor de EHS grote, door de geïndustrialiseerde landbouw ingenomen oppervlaktes te ‘heroveren’ voor de natuur. Eerst zouden deze hectares opgekocht worden om ze daarna in te richten als natuur en vervolgens door te zetten naar beherende natuurorganisaties. Het opkopen van grond voor rode functies was al lange tijd gemeengoed; voor de natuur was het echter iets nieuws. De welhaast instinctieve neiging ons handelen te laten leiden door angst en bedreiging leek overwonnen.

Verwording tot zorg

De EHS kwam er en volledige realisatie wordt nu voorzien na 2020. De droom om de hoofdstructuur volledig aan te leggen heeft echter aan glans verloren. De beleidsdiscussie over het plan is verzand in gedoe over technische en juridische zaken. Doelstellingen en regelingen zijn zelfs zo technisch geformuleerd dat weinig mensen ze nog kunnen begrijpen. Daarnaast wordt links en rechts de vraag opgeworpen over de mogelijke bedreiging die de EHS vormt voor het bedrijfsleven en (dus) de economie. Bovendien wordt gewezen op de problemen van de grondverwerving en inrichting, en op de torenhoge kosten van het gesubsidieerde beheer.

Daardoor dreigt terugval naar de defensieve angst van het voor- EHS tijdperk. Optimisme en kansgericht denken staan op het spel. Draagvlak voor de EHS binnen politiek en overheid is geen vanzelfsprekendheid en daardoor staat gelijkertijd de betekenis van de EHS in de samenleving volop ter discussie. De totstandkoming van de EHS vertraagt en dreigt daardoor te verglijden tot een taai dossier in de bureaucratie. Om te verhinderen dat de EHS als offensief concept spoorloos verdwijnt, is volgens ons een nieuwe impuls in het denken over natuur noodzakelijk.

Uit de Natuurverkenning 2010-20140 van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat mensen de waarden die met natuur worden geassocieerd zeer op prijs stellen: stilte, ruimte, schoonheid. Ze houden van grote gebieden met veel natuur. Dit essay is geen pleidooi voor de EHS, maar wel voor een terugkeer naar de oorspronkelijke mentaliteit achter het plan voor die structuur. In een samenleving als de onze, waarin de overheid ten dienste staat van de burger, moet die overheid de ambitie tonen om de droom van deze burger te verwezenlijken. Om de bevolking te laten beschikken over een natuur die haar het geluk en het welbevinden schenkt waarnaar zij verlangt.

Reactie op verlies

Hoe kan het dat een op zich positief en aanvallend concept als de EHS het gevaar loopt terug te vallen in regelzucht, juristerij en techniek? Uit de ‘prospecttheorie’ van Daniel Kahneman blijkt dat mensen liever voorkomen dat ze iets waardevols verliezen, dan dat ze zich laten leiden door de mogelijkheid iets te winnen. De automatische emotionele reactie op verlies is namelijk aanzienlijk heftiger dan de reactie op winst, verklaart Kahneman. Bovendien is verlies dat voortkomt uit zelfgekozen handelen pijnlijker dan verlies dat voortkomt uit passiviteit, uit alles bij het oude laten. Het is dus ‘normaler’ te voorkomen dat er iets gebeurt, dan offensief te handelen met onzekere uitkomst.
‘De hoeveelheid natuur doet er minder toe dan we aannemen’
Maar ‘normaal’ betekent niet perse ‘wenselijk’ – noch betekent het dat verandering onmogelijk is. Kahneman gelooft dat mensen wel degelijk uit het gedrag kunnen stappen waarin zij direct reageren op prikkels, op gevoelens als angst (‘systeem 1’). Weliswaar vloeit het leeuwendeel van onze beslissingen voort uit dit razendsnelle systeem, maar er is ook een ‘systeem 2’. In dat systeem handelen en beslissen mensen rationeel. Het is een stuk trager en laat (mede daarom) veel keuzes over aan systeem 1. Maar waar nodig kan ‘systeem 2’ degelijk de controle overnemen.

Het is de rationaliteit die op een fundamenteel en dieper niveau ontbreekt. Toch is die nodig. Ten eerste om in te zien dat het huidige natuurbeleid zich op een doodlopend spoor bevindt. En ten tweede om het belang te erkennen van gevoel in natuurbeleving. Op basis van die erkenning kan namelijk beter aangesloten worden bij wat er voor de burger toe doet. Het is noodzakelijk dat de overheid zich vanuit een rationeel inzicht stort op de kwestie van natuurbeleving. Dus niet vanuit (negatieve) emotie blijven hangen in technische en juridische gesprekken. Nee, men moet de rationele beslissing nemen om de natuur vanuit een perspectief van positieve gevoelens en waarden te begrijpen. Wat dat betreft kan Robert M. Pirsig’s roman Zen And The Art Of Motorcycle Maintenance een inspiratiebron zijn. Hij stelt een romantische houding tegenover een klassieke houding. ‘Klassieken’ richten zich op feiten, theorieën, analyses. Zij scheppen orde in de chaos. ‘Romantici’ vinden dit saai en beklemmend. Hen gaat het om de emotionele beleving.

Betekenis door beleving

Pirsig projecteert de dichotomie ‘klassiek – romantisch’ op motorrijden en motoronderhoud: ‘Although motorcycle riding is romantic, motorcycle maintenance is purely classic.’ Motoronderhoud is een kwestie van veel kennis van de assemblage en techniek van motoren. ‘Goed’ of ‘slecht’, ‘mooi’ of ‘lelijk’ –dat soort waardeoordelen zijn irrelevant. Iets zit nu eenmaal op een bepaalde manier in elkaar of niet, doet het of doet het niet. Op een bepaalde wijze kan
'Veel belangrijker zijn de geluksmomenten van natuurgebruikers'
motoronderhoud appelleren aan schoonheid, echter de lakmoesproef vormt of de motor werkt of niet werkt. Motorrijden daarentegen draait juist om waardeoordelen; om het al dan niet genieten van de wind, de snelheid, de wegen, het landschap. Dat de motor rijdt wordt als vanzelfsprekend aangenomen.

De beleidsvorming rond de EHS vertoont tegenwoordig een sterke gelijkenis met een handleiding voor motoronderhoud. De klassieke houding overheerst in de discussies; er is nauwelijks aandacht voor de romantiek van de natuur, voor de romantische natuurbeleving, of om in esthetische termen te spreken: voor de ervaring van ‘het sublieme’. Dat kan en moet anders. Want zoals Oek de Jong schrijft: ‘Als natuur niet wordt waargenomen, betekent ze niets’. Pas als ze wordt waargenomen, ervaren – als ze wordt beleefd – krijgt de natuur betekenis, is ze een ‘landschap’.

Natuurbeleidsmakers moeten het rationele besluit nemen om de burger zoveel mogelijk ‘natuurbeleving’ te bieden. Zij moeten de schoonheid, rust en wildernis van de natuur toegankelijk maken voor die burger, zodat deze er een (emotionele) ervaring aan kan hebben. Beleidsmakers doen er goed aan daarbij rekening te houden met inzichten van Kahneman. Bijvoorbeeld dat mensen meer genoegen ontlenen aan een moment van intens geluk, dan aan meerdere momenten van minder intens geluk. En dat meer recente geluksmomenten als intenser herinnerd worden.

Geluk van natuurgebruikers

Voor natuurbeleid betekent dit dat de hoeveelheid natuur er aanzienlijk minder toe doet dan vaak wordt aangenomen. Het succes van een EHS zit ‘m dus niet in het aantal hectares dat we opkopen. Veel belangrijker zijn de geluksmomenten van natuurgebruikers en het vermogen van onder andere de overheid om aan essentiële waarden betreffende natuurbeleving te appelleren. Daar moeten we dus aan werken, met hetzelfde enthousiasme waarmee het EHS-plan geïntroduceerd werd.

Op welke wijze kunnen die geluksmomenten ontstaan? Of anders geformuleerd, welke waarden zijn van belang voor de gebruiker die natuur en landschap ervaart? Die waarden zijn voor een deel al genoemd. Stilte, bijvoorbeeld. Maar ook duisternis, uitgestrektheid en een groen uitzicht tot aan de horizon. Dit zijn typisch factoren die in pieken kunnen worden ervaren, die dan sterke gevoelens oproepen en daardoor bij mensen blijven hangen – als herinneringen, als verhalen.

Uiteraard is er naast de op pieken gerichte, intense manier ook een contemplatieve wijze om van natuur te genieten. Robert Macfarlane beschrijft het verschil hartverwarmend in zijn boek The Old Ways. Hij toont begrip voor de bergbeklimmer die driftig op weg is naar de top, naar een piekervaring. Maar evengoed snapt de auteur de Tibetaanse monnik die de top niet wil bereiken; die op afstand blijft en er rustig omheen loopt. Macfarlane citeert Anne Campbell: ‘All I want, really, is to put stories to places and what joins them’. Ook contemplatie kan kortom mooie herinneringen (‘stories’) creëren.

Droom in vervulling

‘Landschap’ is voor Robert Macfarlane geen zelfstandig naamwoord dat uitdrukking geeft aan statische eigenschappen. Het is eerder een werkwoord. Landschap pulseert, beweegt, is dynamisch en bevat beloftes achter de horizon – beloftes van ervaringen, van belevenissen, of die nu contemplatief zijn of intens. Beleidsmakers doen er goed aan deze beschrijving van landschap in het oog te houden. Want dit is wat het zou moeten zijn, ook in Nederland.

Luuk Oost, Gonda Laporte

© ROM B.V.

Uit de praktijk. http://www.romagazine.nl
Template Joomla 1.7 by Wordpress themes free